Na onze vader gaat de priester voor de baar staan en zegt in volgende of overeenkomstige bewoordingen:

1.
Nu wij als gelovige mensen onze plicht vervullen
en dit menselijk lichaam gaan begraven (cremeren)
willen wij met vertrouwen bidden
tot God, voor wie alles leeft,
dat Hij het lichaam van onze dierbare overledene,
dat we in al zijn broosheid
aan de aarde (het vuur) toevertrouwen,
in kracht doet opstaan
en dat Hij hem (haar) opneemt
in de kring van zijn heiligen en getrouwen.
Moge Gods oordeel over hem (haar) barmhartig zijn:
moge Hij hem (haar) uit de dood verlossen
en van zijn (haar) schulden ontslaan.
En moge hij (zij) zó - verzoend met de Vader
en gedragen op de schouders van de goede Herder -
in het gezelschap van de eeuwige Koning
samen met Gods uitverkorenen
voor altijd gelukkig zijn.

2.
Onze dierbare N. is in de vrede van Christus ontslapen.
Omdat wij gelovig uitzien naar het eeuwig leven,
willen wij hem (haar) toevertrouwen
aan de liefdevolle barmhartigheid van onze Vader
en hem (haar) nu met onze gebeden begeleiden.
Wij willen vragen dat hij (zij),
die door het doopsel als kind van God werd aangenomen
en zo vaak aan de Tafel des Heren werd gevoed,
nu mag geroepen worden aan de tafel in de hemel,
waar Gods kinderen aanzitten
en dat hij (zij) samen met de heiligen,
de erfenis ontvangen mag
die hem (haar) voor altijd beloofd is.
Ook voor onszelf willen we de Heer bidden,
nu wij diep bedroefd zijn,
dat wij eens, samen met onze dierbare,
Christus tegemoet kunnen gaan,
wanneer Hij, die ons Leven is,
zal verschijnen in heerlijkheid.

3.
Na in geloof voor onze dierbare gebeden te hebben
willen we hem (haar) nu onze laatste groet brengen.
In dit 'vaarwel' klinkt de droefheid door van het afscheid,
maar het heeft ook een hoopvolle klank die ons troost:
wij zullen onze dierbare terugzien
en weer genieten van zijn (haar) vriendschap;
want God is barmhartig en goed:
eens zullen wij onze verbondenheid,
waarvan wij in deze kerk
vol droefheid afstand doen,
met vreugde opnieuw beleven in het Rijk van God.
Troosten wij elkaar dan door ons geloof in Christus.

4.

Nu de almachtige God onze dierbare
uit dit leven tot zich heeft willen roepen,
vertrouwen wij zijn lichaam aan de aarde toe:
zo keert het weer terug tot dee aarde
waaruit het genomen is.
Maar omdat Christus is verrezen
als eerstgeborene van de doden,
zal Hij ons aardse lichaam herscheppen
om het gelijkvormig te maken aan zijn verheerlijkt lichaam.
Daarom bevelen wij onze dierbare bij de Heer aan:
dat Hij hem (haar) opneemt in zijn vrede
en dat Hij zijn (haar) lichaam doet opstaan op de laatste dag.

5.
Voordat wij uiteengaan willen wij samen onze dierbare
een laatste groet brengen en het 'vaarwel',
dat we hier uitspreken,
wil een uitdrukking zijn van onze liefde;
het verzacht onze droefheid en versterkt onze hoop.
Want eens hopen wij onze dierbare weer
met vreugde te begroeten
daar, waar de liefde van Christus die alles overwint,
zelfs de dood voorgoed zal overwinnen.

Besprenkeling en bewieroking van het lichaam van de overledene

Nu wordt het lichaam van de overledene met wijwater besprenkeld en bewierookt. Ondertussen kan worden gezongen:

Subvenite
LAATSTE AANBEVELING
TEN AFSCHEID
Subvenite sancti Dei, occurrite angeli Domini. Suscipientes animam eius, offerentes eam in conspectu Altissimi.
Suscipiat te Christus qui vocavit te et in sinum Abrahae angeli deducant te.
Suscipientes animam eius, offerentes eam in conspectu Altissimi.
Kom hem/haar te hulp, heiligen van God. Kom hem/haar tegemoet, engelen van de Heer. Neem hem/haar op en geleid hem/haar voor het aanschijn van de Allerhoogste.
Moge Christus die u geroepen heeft u ontvangen en mogen de engelen u dragen in de schoot van Abraham.
Neem hem/haar op en geleid hem/haar voor het aanschijn van de Allerhoogste.


Hierna zegt de priester een van de volgende gebeden:

1.
Goede Vader,
Gij zijt ons steeds goedgezind,
in uw handen bevelen wij onze dierbare N.
Wij hebben het vaste vertrouwen
dat hij (zij) met Christus zal verrijzen op de jongste dag,
zoals allen die in Christus zijn gestorven.
(Wij danken U voor ale weldaden
waarmee Gij hem (haar) in dit sterfelijk leven hebt overladen.
Zij zijn voor ons een teken van uw goedheid,
een teken ook van de gemeenschap in Christus van alle heiligen.)
Luister dan Heer, welwillend naar ons gebed:
open voor uw dienaar (dienares) de poort van het paradijs
en laten wij die achter blijven
elkaar troosten met het geloof,
(totdat wij allen Christus tegemoet gaan
en voor altijd met U en onze dierbare verenigd zijn).
Door Christus onze Heer.
Amen.

2.

Heer, aan U vertrouwen wij toe
uw overleden dienaar (dienares) N.
Hij (zij) is gestorven voor deze wereld:
laat hem (haar) leven voor U;
en reinig hem (haar) in uw liefdevolle barmhartigheid van de zonden,
die hij (zij) in menselijke zwakheid heeft bedreven.
Door Christus onze Heer.
Amen.

Gezang tijdens het uitdragen
In paradisum deducant te angeli:
in tuo adventu suscipiant te martyres
et perducant te in civitatem sanctam Ierusalem.


(Chorus angelorum te suscipiat et cum Lazaro quondam paupere
aeternam habeas requiem.)

Laetatus sum in his quae dicta sunt mihi: *
in domum Domini ibimus.

Stantes erant pedes nostri, *  in atriis tuis Ierusalem.


Ierusalem quae aedificatur ut civitas: *
cuius participatio eius in idipsum.

Illuc enim ascenderunt tribus, tribus Domini *
testimonium Israel ad confitendum nomini Domini.
Mogen de engelen u geleiden naar het paradijs,
de martelaren u ontvangen bij uw komst
en u brengen naar de heilige stad Jeruzalem.

(Het koor van engelen moge u ontvangen
en moogt gij, samen met de arme Lazarus,
de eeuwige rust vinden.)


Hoe blij was ik, toen men mij riep:
wij trekken naar Gods huis!

Nu mag mijn voet, Jeruzalem, uw poorten binnentreden.

Jeruzalem, ommuurde stad,
zo dicht opeen gebouwd:

Naar u trekken de stammen op,
de stammen van Gods volk;Zij gaan naar Israëls gebruikde Naam van God vereren.
Naar openingsritus
Naar Woorddienst deel 1
Naar Woorddienst deel 2
Naar Woorddienst deel 3