De Heer is ook nu in de boot




Armin Schwibach van Kath-net heeft een interview met kardinaal Walter Brandmüller, kerkhistoricus en één van de dubiakardinalen


In de oktoberuitgave van het jezuïetentijdschrift “La Civiltà Cattolica” (fascikel  4016, pp 119-130, 2017, deel IV) kon men lezen dat de Wittenbergse stellingen noch een uitdaging van het gezag noch een rebellie ertegen geweest zouden zijn maar “het voorstel tot vernieuwing van de verkondiging van het evangelie in het eerlijke verlangen naar een ‘hervorming’ in de Kerk”. Voor de jezuïeten (en het door de paus persoonlijk gecontroleerde tijdschrift) bestaat het probleem in de aanspraak van zowel de Kerk als ook van Luther dat zij de hele waarheid belichamen. Toch mag men volgens hen de rol van Luther als ‘geloofsgetuige’ niet ontkennen.
Om welke vooroordelen zou het hier kunnen gaan? Is dan de facto de excommunicatie van Luther ‘post mortem” opgeheven? Moet Luther nu tot de “kerkleraar van de authentieke hervorming” verheven worden? Was de reformatie een ogenblik van het “werken van de Heilige Geest”, zoals een vertegenwoordiger van de Italiaanse Bisschoppenconferentie meende? Hebben de pausen en de Kerk samen met het Concilie van Trente het mis gehad, toen zijn het lutheranisme verklaarden tot een heresie verklaarden, dat wil zeggen een ketterij die de waarheid van het geloof bedreigde?

Kardinaal Brandmüller:
Er was helemaal geen “Lutherjaar” voor nodig om die polemische geschiedschrijving die aan beide kanten tot ongeveer de 1ste wereldoorlog gebruikelijk was, te overwinnen. Op zijn laatst sinds het einde van de nazidictatuur, waaronder katholieken en protestanten van de “Bekennende Kirche”, evenveel hebben geleden, is men aan beide kanten tot een geschiedschrijving over Luther resp. de reformatie gekomen, die zich gebonden weet aan de historische bronnen en de voorstellingen die berusten op de kritische interpretatie ervan. Spreken over de noodzaak van een herwaardering van Luther aan katholieke zijde getuigt daarom van simpele onwetendheid rond de werkelijke stand van de wetenschap, resp. de literatuur ter zake.

Wat nu de beroemde 95 stellingen betreft, kunnen we zeggen dat zij inderdaad in grote lijnen katholiek kunnen worden verstaan. Zij waren uitdrukking van het protest van een geëngageerde priester tegen een verkeerd begrip en tegen misbruik van aflaten.

Het duurde ondertussen geen drie jaar totdat Luther in de bekende drie zogenaamde “Strijdschriften” van het jaar 1520 zijn radicale breuk met elementaire inhouden van het katholieke geloof liet zien – en dat met een tot dan toe ongewone heftigheid en scherpte. Hoe het bij hem tot een dergelijke breuk kon komen, is een vraag die het onderzoek tot nu toe niet naar tevredenheid heeft kunnen verhelderen. Luther ondertussen zien als geloofsgetuige – of zoals ook al is gebeurd – als “vader in het geloof”, is vanwege de genoemde oorzaken zonder meer dwaas.

Is er werkelijk sprake van “vooroordelen” tegen Luther? Ze spreken ook over de excommunicatie van Luther? Vooroordelen? Welnu, over een man die al 500 jaar dood is, kunnen er alleen maar “na-oordelen” zijn. Dan moeten we allereerst zeggen dat de excommunicatie van Luther een historisch feit is. Hoe wilt u zoiets uit de wereld helpen? En wat de geëxcommuniceerde zelf betreft: hier geldt het principe uit het Romeinse recht: mors solvit omnia – de dood lost alles op. Daarom is het gewoonweg naïef om de opheffing van Luthers excommunicatie te eisen. Dat een dergelijke eis vaak ruime media-instemming  oproept, geeft slechts blijk van een tamelijk naïeve, gestoorde verhouding met het verleden en de geschiedenis.

Zij vragen of Luther tot de “kerkleraar van de authentieke hervorming” verheven zou moeten worden? Welnu, dan moet allereerst verduidelijkt worden wat men onder “hervorming” verstaat. Eén ding is daarbij duidelijk: het hervormde moet identiek zijn met wat hervormd moet worden. Zo niet, dan was er geen sprake van hervorming maar van verandering. De Kerk van Jezus Christus kan en moet weliswaar steeds ”anders” worden, dat wil zeggen steeds volmaakter. Luther echter wilde – aldus de protestantse kerkhistoricus Franz Lau – “radicale revolutie”. Hij heeft,- zo staat het in zijn geschrift “Aan de adel van de Duitse Natie” – verkondigd dat hij drie muren zou afbreken.

De eerste muur ziet hij in het priesterschap dat op de heilige wijding gebaseerd is; de tweede in het leergezag van de Kerk dat berust op de zending door Jezus Christus; de derde muur ziet hij in het bestaan van het pausschap. Dat deze “muren” op stevige Bijbelse grond rusten, interesseert de woedende augustijn niet. Welnu, omdat hij deze drie muren afgebroken heeft, ziet Luther het hele bouwwerk van de pauselijke Kerk in elkaar vallen.

Te beweren dat deze totale vernietiging een “werk van de Heilige Geest” geweest is, is een wel een heel avontuurlijke bewering die alleen verklaarbaar is door simpele onbekendheid met geschiedkundige teksten en gebeurtenissen die voor een bisschop meer dan verbazingwekkend zijn. En dan het Concilie van Trente: het was en blijft een oecumenisch concilie en dat is met en onder de paus het hoogste orgaan van het kerkelijk leergezag  en zijn definitief afgekondigde leer geniet onfeilbaarheid… Zijn doctrinaire decreten gelden voor altijd.

Het afgelopen jaar stond in het teken van de discussie over het apostolisch schrijven “Amoris Laetitia”, niet in de laatste plaats van de vijf “dubia” die door u samen met de kardinalen Carlo Caffarra, Raymond Leo Burke en Joachim Meisner naar voren zijn gebracht; dat wil zeggen vragen betreffende punten die verheldering behoeven waarbij het gaat om het fundament van de universele en onveranderlijke leer van de Kerk. Kunt u uitleggen waarin de kern van deze “dubia” bestaat?

Kardinaal Brandmüller:
De vragen (dubia – twijfel) die volgens een normale procedure aan de heilige vader en aan de Congregatie voor de Geloofsleer zijn voorgelegd, hebben de volgende inhoud:
1.  Kan iemand die gebonden is door een bestaande huwelijksband en die met een nieuwe partner samenwoont (AL nr. 305, noot 351) in bepaalde gevallen “de absolutie en de communie” ontvangen?
2.  Bestaan er absolute morele geboden, resp. verboden die zonder uitzondering en onder alle omstandigheden verplichten? (Bijv. het doden van een onschuldig iemand)?
3.  Is het ook nu nog zo dat iemand die duurzaam in echtbreuk leeft, zich objectief in toestand van zware zonde bevindt?
4.  Bestaan er levensomstandigheden, die de morele verantwoordelijkheid zodanig verminderen dat daardoor immoreel handelen (hier: echtbreuk) verontschuldigd, ja zelfs gerechtvaardigd kan worden?
5.  Kan een persoonlijke gewetensbeslissing uitzonderingen van het absolute verbod van handelingen die in zich immoreel zijn, toestaan?

Zoals u ziet, betreffende deze vragen de grondslagen van het geloof en de moraal. Volgen we die, dan moeten de vragen 1, 4 en 5 ondubbelzinnig met neen en de vragen 2 en drie met ja beantwoord worden.

Het meningsverschil rond “Amoris Laetitia”en ook de discussie rond projecten als “Huwelijk voor allen” hebben veelvuldig duidelijk gemaakt dat er een “antropologische revolutie” verlangd wordt. Kortom: het gaat om een radicale herinterpretatie van wat de mens is en hoe hij kan en moet zijn.
Heeft dit alles misschien iets te maken heeft met een gebrekkig begrip van natuurrecht?

Kardinaal Brandmüller:
Als men meent dat ook personen van hetzelfde geslacht een “huwelijk” kunnen sluiten; dat men met behulp van chirurgie geslachtsveranderingen en andere ingrepen in de natuur van de mens mag uitvoeren, dan betekent dat een regelrecht perverse opstand tegen de scheppingsorde, tegen de door God gewilde en geschapen natuur van de mens. Handelen tegen deze scheppingsorde in betekent zelfvernietiging van de mens. Spreken van “herinterpretatie” is een oneerlijke bagatellisering.
Het is inderdaad hoogst zorgwekkend dat de ideologische verwarring zo ver gaat dat men meent het subjectivisme zo op de spits te kunnen drijven. Dat is dan een “neen” tegen het eigen schepsel-zijn en tegen de Schepper. De mens op de troon van God! Een groteske, absurde, apocalyptische voorstelling.

Van veel kanten wordt de verwarring die in de Kerk heerst, geconstateerd of er wordt over geklaagd. Veel gelovigen die  “tot nu toe” met gesloten ogen “op Rome konden vertrouwen”, voelen zich nu thuisloos gemaakt en alleen gelaten in een cultureel onrustige tijd. Daarbij gaat het niet zozeer om het verlies van zekerheden als wel het duidelijk ontbreken van een “hart onder de riem” op een rotsige weg.
Dikwijls heeft men de indruk dat het erom gaat degenen die op een afstand staan te sterken en te zeggen dat het goed is waar zij staan, terwijl degenen die dichtbij staan, alleen maar kritiek krijgen. Wat denkt u van deze historisch toch unieke situatie?

Kardinaal Brandmüller:
U spreekt terecht over de verwarring die steeds groter wordt. In deze situatie die door St.-Paulus al voorzien wordt – zie de brieven aan Titus en Timoteüs – is het zaak zich te houden aan de kerkelijke overlevering die door de Heilige Geest geleid wordt en die haar actuele neerslag vindt in de Catechismus van de Katholieke Kerk. Wat daarmee in tegenspraak is – van wie die tegenspraak ook komt – is geen katholieke waarheid.

Wie volgens de Catechismus gelooft en ernaar leeft, is op de juiste weg. Die gaat momenteel wel door duisternis, nevel en onherbergzaam gebied.
Nu uw vraag over degenen “die op een afstand staan”, dus mensen die het geloof van de Kerk, het Godsgeloof niet kennen of totaal afwijzen: natuurlijk kan een katholiek, vooral een priester of bisschop, niet berusten in het toenemen in aantal van deze mensen. Hij moeten erop uit zijn ook die tijdgenoten – en die zijn al lang in de meerderheid – de weg naar het geloof te laten zien want zonder dat geloof is er geen eeuwig heil. Jezus zelf preekte niet: “blijf staan waar je bent”, maar: “Keer om en geloof in het evangelie!” Dat men zich uitput in binnenkerkelijke ruzies in plaats van zich druk te maken om het eeuwig heil van de velen, getuigt van een verschrikkelijk gebrek aan geestelijke vitaliteit bij de katholieken van onze tijd.

U heeft het over een “historisch toch unieke situatie”? Daar ben ik het niet zonder meer mee eens. In de tijd van de Ariaanse crisis – de Arianen geloofden niet dat Jezus wezensgelijk met God Vader – was het grootste gedeelte van de bisschoppen in de Oostelijke helft van het Romeinse Rijk tot ketterij vervallen. Pas door de Concilies van Nicea en Chalcedon kon deze dodelijke bedreiging van het geloof overwonnen worden: de Heer was en is ook nu in de boot – ook als Hij schijnt te slapen.


vertaling: C. Mennen
30 december 2017

Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten