ENIGE BEMERKINGEN
VANUIT EEN LITURGISCHE EN CANONIEKE INVALSHOEK
OP DE BELEIDSNOTA VAN HET AARTSBISDOM UTRECHT
“PROFILEREN IN HET PAROCHIEPASTORAAT” (Pip)

VOORAF

Ik heb zelden een kerkelijk beleidsstuk gelezen dat bij mij zoveel wrevel opriep als Pip. Het is een merkwaardige mengeling van sociologie en theologie. Soms zijn trouwens de gedachtegangen en bepaalde zinsconstructies voor mij volslagen onduidelijk. Er wordt bovendien geen samenhangende ecclesiologische visie ontwikkeld op basis van Lumen Gentium. We horen flarden en kreten die op onderdelen zeer discutabel zijn. Binnen die ecclesiologische uitgangspunten mis ik heel duidelijk een visie op het gewijde ambt en de verhouding van het gewijde ambt tot de niet gewijde diensten. Het is ten diepste een sociologisch verhaal waarin men het feitelijk priestertekort en het feitelijk functioneren van de pastorale werk(st)er zonder al te veel problemen uiterlijk in overeenstemming wil brengen met de Romeinse Instructie Ecclesiae de Mysterio. Het doel van Pip is blijkbaar de pastorale werk(st)er in zijn/haar rol als professionele gemeenteleider te bevestigen naast en gelijkwaardig aan de priester. Men heeft niet helemaal dezelfde taak maar staat wel op gelijk niveau. Dat wordt onder andere uitgedrukt in vreemde en theologisch dubieuze regels: “Door de wijding heeft de priester (en de diaken) op een geheel eigen wijze deel aan de sacramentele identiteit en structuur van de geloofsgemeenschap. De wijze waarop de gewijde voorganger gestalte geeft aan zijn pastorale dienstwerk is een eigen, bijzondere wijze. Maar daarmee wordt ook gezegd dat het niet de enige wijze is waarop het pastorale dienstwerk gestalte kan worden gegeven. Omdat de sacramentele identiteit is gegeven aan het geheel van de geloofsgemeenschap en omdat alle gedoopten erin delen, handelt ook de pastorale werk(st)er sacramenteel. Dit sacramenteel handelen is echter niet gelijk aan dat van de priester.” (Pip blz. 15-16) Met andere woorden er zijn twee soorten sacramenteel pastoraal werk, niet tot elkaar te herleiden en min of meer naast elkaar. Deze visie ben ik in het spreken van de universele Kerk in conciliaire en postconciliaire documenten nog niet tegengekomen.

BEMERKINGEN VANUIT DE LITURGIE

Pip heeft de volgende visie op liturgie. In de liturgie gaat het “om het vieren van het geloof…. van de verbondenheid met God, met het geheel van de geloofsgemeenschap en met elkaar.” (blz. 27). Het gaat “om de rechtstreekse uitdrukking ten overstaan van God van het geloof van de gemeenschap.” (blz. 27). Het is zelfexpressie van de gemeenschap (blz. 32). Dat krijgt sterk de nadruk. Er is echter ook sprake van “het gelovig vieren van Gods heilsgave” (blz. 32) en “in de liturgie viert de gemeenschap als het ware zichzelf onder het opzicht van de wederkerige relatie tussen haar en God”. Hier lijkt het erop dat er toch ook iets van God in de liturgie naar ons toekomst. Overigens is de betekenis van de zinnen in de tweede kolom van blz. 32 mij voor het grootste deel onduidelijk. Ik weet werkelijk niet wat daarmee bedoeld wordt. Dit geldt overigens ook voor de zin “In de zondagse eucharistieviering…..diakonia”. Ik heb het verschillende malen doorgelezen maar ik begrijp de bedoeling en de theologische achtergrond van het beweerde nog steeds niet. Ook de zin “Als het om vernieuwend pastoraat gaat, is het vreemd om het vieren van de eucharistie uitsluitend te beschouwen als een binnenkerkelijke aangelegenheid” (blz. 14) is voor mij duister. “Goede verkondiging heeft een fundamenteel sacramentele kracht” is volgens mij baarlijke nonsens. Misschien bedoelt Pip dat goede verkondiging effect heeft. Maar niet ieder effect is een sacrament. Trouwens heel het verhaal “rondom de tafel” (blz. 14-15) is zeer warrig en theologisch te indeficiënt om een volwaardige beschrijving van de liturgie te geven.
Mij is overigens wel duidelijk dat niet Sacrosanctum Concilium model heeft gestaan voor deze beschrijving van wat liturgie is. In dit Conciliedocument is maar zeer beperkt sprake van zelfexpressie of iets wat erop lijkt. Er staat alleen dat het geloof in de liturgie uitgedrukt wordt. Het Concilie heeft een veel hoger concept van wat liturgie ten diepste is: “Terecht wordt de liturgie dan ook beschouwd als de uitoefening van het priesterlijk ambt van Jezus Christus, waarin de heiliging van de mens door middel van waarneembare tekenen wordt betekend en – op een wijze die elk daarvan eigen is bewerkt en waarin de openbare eredienst volledig wordt voltrokken door het mystieke lichaam van Jezus Christus, Hoofd en ledematen. Derhalve is elke liturgische viering als werk van Christus, de priester, en van zijn lichaam, de Kerk, bij uitstek een heilig handelen, dat door geen enkel ander handelen van de Kerk op gelijke titel en in gelijke mate in krachtdadigheid wordt geëvenaard.”
Liturgie is dus: eredienst aan God en heiliging van de mens tegelijk, voltrokken door Christus, Hoofd en lichaam. Dit vinden we niet terug in Pip. De naam van Christus wordt niet eens genoemd in dit verband.
Bij de taakomschrijving van de liturg staat als eerste dat hij “het verantwoord vieren van de rechtstreekse religieuze (zelf)expressie van de geloofsgemeenschap…. behartigt”. Hier wreekt zich de inadequate theologische omschrijving van wat liturgie is. Je zou immers denken dat het om een religieuze evenementenbegeleider gaat of een soort deskundige in dramatische religieuze expressie. Tevens is hij ook deskundige die de religieuze voorstellingen van zijn collega’s wier bekwaamheid eerder op andere terreinen ligt, deskundig begeleidt.
Zeer merkwaardig is de derde taak van de liturg. Hij “is als eerste verantwoordelijk voor (het ontwikkelen van) liturgische riten, vanuit een kritisch deskundige houding ten aanzien van de overgeleverde, ‘klassieke’ vormen enerzijds en nieuwe, in aanzet ‘seculiere’ vormen anderzijds.” Het lijkt hier alsof de liturg geroepen is liturgie te scheppen. Dit is alleen begrijpelijk als liturgie voornamelijk zelfexpressie is van de vierende gemeenschap. In de katholieke Kerk is liturgie dat echter ten enenmale niet. Vandaar ook het verbod in SC 22 waarin staat dat niemand, zelfs al is hij priester in de liturgie iets mag toevoegen, weglaten of veranderen. Voor de katholieke Kerk is de liturgie op de eerste plaats een gegevenheid, een heilig gebeuren waarin je je als gemeenschap invoegt. De liturgie kan evolueren of hervormd worden. Maar dat is dan geen zaak van de plaatselijke liturg maar van de Apostolische Stoel of in bepaalde zaken van de bisschoppen. Het scheppen van nieuwe liturgie plaatselijk op het niveau van de parochie is niet mogelijk. Wel kan men vrome oefeningen (SC 13) houden die “in zekere zin uit de liturgie voortkomen en het volk de weg wijzen naar de liturgie, die immers door haar aard ver boven deze oefeningen uitsteekt.” Deze oefeningen moeten door de plaatselijke bisschop geregeld worden en zijn geen liturgie in eigenlijk zin. Zou men dat bedoelen met “’seculiere’ vormen van ritualiteit”?
Samenvattend:de beschrijving van liturgie is theologisch zeer gebrekkig en eenzijdig. Het wezen van liturgie wordt nauwelijks geraakt.de liturg (bij voorkeur een priester) is in Pip een functionaris, een uitvoerder en regisseur, terwijl in het normale kerkelijke spreken de gewijde bedienaar de normale voorganger is in alle liturgische vieringen van de Kerk, terwijl alleen bij afwezigheid van de normale voorganger sommige liturgische vieringen bij wijze van suppletie door een niet-gewijde kunnen worden voorgegaan. Dit normale kerkelijke spreken wordt in Pip zorgvuldig vermeden.

BEMERKINGEN VANUIT HET CANONIEKE RECHT

Het belangrijkste wat men vanuit het canonieke recht tegen Pip kan inbrengen is, dat de nota in hoofdzaak kiest voor professionaliteit met voorbijgaan aan de sacramentele structuur van de Kerk.

In Pip wordt de suggestie gewekt dat gewijden en ongewijden als gelijken naast elkaar werken. Ik citeer nu eerst enkele algemene canons waaruit blijkt dat dit in de Kerk onmogelijk is. Allereerst c. 129: “Tot bestuursmacht in de Kerk… zijn volgens de voorschriften van het recht bekwaam zij die een heilige wijding hebben ontvangen.” en “in de uitoefening van deze macht kunnen christengelovigen-leken meewerken volgens het recht”. Volgens deze canon kunnen leken zelfstandig geen bestuursmacht uitoefenen. Ze kunnen alleen met de gewijden meewerken. Als dus in Pip de verantwoordelijke voor diaconie een pastorale werk(st)er is, dan kan zij die taak alleen uitoefenen als medewerk(st)er van een gewijde (priester of diaken).
In c. 774 wordt gesteld dat de zorg voor de catechese toekomt aan alle kerkleden, ieder voor zijn deel. Als het echter over de parochiale catechese gaat is de pastoor weer verantwoordelijk voor de regeling en de coördinatie. Vgl. cc. 776, 528 § 1.
Over de heiligingstaak en de eredienst zegt c. 835 dat priesters gewijd worden om de goddelijke eredienst te vieren en het volk te heiligen. De diakens hebben deel aan het vieren van de eredienst volgens de voorschriften van het recht. Ook de leken hebben deel aan de heiligingstaak door het aandeel dat hun eigen is en door actieve deelname aan de vieringen. De eigenlijke voorgangers in de eredienst zijn priesters. Diakens kunnen tot bepaalde diensten geroepen worden volgens de voorschriften van het recht. Hetzelfde geldt voor leken. Zij kunnen geroepen worden tot bepaalde taken die een voorgangersrol in de liturgie impliceren (doopsel, gekwalificeerde getuige bij een huwelijk, woorddienst, communieviering) bij werkelijke afwezigheid van de gewijde en met toestemming van het kerkelijk gezag. Leken hebben niet de taak voor te gaan in de publieke eredienst tenzij bij wijze van uitzondering en uit pastorale noodzaak, steeds bij wijze van suppletie.
Het is ook goed Pip te bezien in het licht van de canonieke bepalingen rond parochie en pastoor. Dan valt allereerst op dat het canonieke recht de parochie en de pastoor sterk aan elkaar bindt. De functie van pastoor is zelfs in de definitie van de parochie opgenomen. C. 515 § 1: “een gemeenschap van christengelovigen waarover de herderlijke zorg (cura pastoralis)…. aan een pastoor als eigen herder toevertrouwd wordt”. C. 521 § 1 stelt als voorwaarde voor een benoeming tot pastoor dat de betreffende persoon de priesterwijding heeft ontvangen. Eventueel kan volgens c. 517 § 1 de cura pastoralis over een parochie of over meerdere parochies aan een team van
priesters worden toevertrouwd van wie er dan één moderator moet zijn die leiding geeft en naar buiten toe verantwoordelijkheid draagt. Volgens c. 517 § 2 kan de bisschop vanwege priestergebrek “de deelname in de pastorale zorg over een parochie” toevertrouwen aan een diaken of een andere persoon “die niet getekend is met het priesterlijk merkteken of aan een gemeenschap van personen”. Hij moet dan wel een priester aanstellen met de volmachten van een pastoor die leiding geeft aan de pastorale zorg. Het is duidelijk dat alleen priesters pastorale zorg in eigenlijke zin kunnen uitoefenen. Leken en zelfs diakens kunnen alleen “deelnemen in de uitoefening van de pastorale zorg”. In c. 519 staat dat de pastoor geroepen is voor zijn parochie de verkondigingstaak, de heiligingstaak en de bestuurstaak uit te oefenen. Daarbij kunnen meewerken andere priesters of diakens (cooperantibus aliis presbyteris vel diaconis) en met de hulp (operam conferentibus) van christengelovigen-leken. Dit wordt nog gecompleteerd door het opsommen van de algemene en specifieke taken en plichten van de pastoor in cc. 528-530.
Deze canonieke bepalingen zijn de neerslag van het besef dat de Kerk een hiërarchisch geleide gemeenschap is, waarin alleen de bisschop en onder diens leiding de priester herder en leider van de geloofsgemeenschap is (cfr. Presbyterorum ordinis nrs. 6 en 9). Leken (dat geldt trouwens ook voor diakens) kunnen geen zelfstandig herderlijk ambt hebben, niet de cura pastoralis uitoefenen. Van leken wordt gesproken over “deelname aan de cura pastoralis”. Die leken (en diakens) mogen daarom ook niet “pastor” genoemd worden. Zij zijn geen pastores, zelfs geen pastorale werkers maar in een correcte canonieke terminologie “pastorale medewerkers”. In Apostolicam Actuositatem nr 24 staat heel duidelijk: “Tenslotte vertrouwt de hiërarchie aan leken soms ook taken toe die nauw met het herderlijk ambt zijn verbonden: het godsdienstonderwijs, bepaalde liturgische functies, zielzorg. Krachtens deze zending staan de leken bij het verrichten van deze taak geheel en al onder de hogere kerkelijke leiding.”
Het begrip pastorale medewerker is als zodanig in de Codex niet bekend. De functie die er het meest mee overeenkomt is die van “catechist” in missiegebieden. In c. 785 § 1 staat: “Bij de uitvoering van het missiewerk dienen catechisten betrokken te worden, namelijk christengelovigen-leken, die behoorlijk opgeleid zijn en die zich onderscheiden door hun christelijk leven; zij dienen zich onder leiding van een missionaris erop toe te leggen de leer van het evangelie voor te houden en liturgische diensten en caritatieve werken te organiseren.” Mutatis mutandis zou deze definitie ook de Nederlandse pastorale medewerker moeten worden toegepast. Dat betekent wel een fundamenteel herschrijven van Pip.
Pip noemt de priester wel de sacramentele representant van Christus als Hoofd en Herder van de Kerk maar lijkt dat alleen betrekken op diens exclusieve volmacht voor te gaan in de eucharistie. De nota lijkt geen oog te hebben voor het feit dat de eucharistische vergadering verdichting en model van heel de kerkgemeenschap is. Dat hij die de eucharistie voorzit, ook de voorzitter is van de kerkgemeenschap en dat alle andere diensten in de liturgie en in de kerkgemeenschap onder zijn leiding gebeuren.
Het onderscheid dat op blz. 23 gemaakt wordt tussen professioneel, onbezoldigd, en vrijwillig is ecclesiologisch en canoniek niet van fundamenteel belang. Ten diepste wordt het pastoraal functioneren in de Kerk niet bepaald door deze categorieën. Dit wordt canoniek bepaald door het al of niet ingeordend zijn in het hiërarchisch ambt. De onbezoldigde diaken heeft namelijk vanuit zijn wijding dezelfde bevoegdheden als bezoldigde full time diakens. Hij mag de homilie houden tijdens de eucharistieviering. Een pastorale medewerker mag dit nooit hoewel hij dat misschien professioneler zou kunnen. Dat wil niet zeggen dat het canonieke recht niet zou pleiten voor professionaliteit van gewijden en niet-gewijden in dienst van de Kerk maar professionaliteit is niet het bepalende en onderscheidende criterium.
Pip versluiert het hiërarchisch beginsel in de Kerk ten gunste het beginsel van professionaliteit. Dat is ecclesiologisch en canoniek onverantwoord. De nota doet tekort aan de plaats van de priester (de pastoor) in de parochie en overwaardeert de functie van de pastoraal medewerker.
PIP UTRECHT
Archief