
De kern van ons christelijk geloof is, dat de liefdevolle God zich ons lot heeft aangetrokken en tot ons gekomen is, opdat wij tot Hem zouden kunnen komen. Om ons, die van God vervreemd zijn, de mogelijkheid te geven tot Hem terug te keren. Er is dus een dubbele beweging: God naar ons, wij naar God. En op het snijpunt van die beweging staat Christus. Hij is de sleutelfiguur. In Hem komt Gods liefde tot ons. In Hem kunnen wij tot God naderen. In het centrum van ons geloof staat dus Christus, in wie wij Gods liefde ontmoeten en in wie wij meegenomen worden naar God. Christus ontmoeten en ons laten opnemen in zijn verlossingswerk waardoor Hij ons bij de Vader brengt is onze eerste en voornaamste opdracht als christen. Pas vanuit die levende ontmoeting, pas vanuit dat je opgenomen weten in de beweging naar de Vader, krijg je voldoende Geestkracht om christen te kunnen zijn in het leven van alledag. En Christus laat zich ontmoeten, heel concreet en de opname in het verlossingswerk voltrekt zich heel concreet in de voortdurende viering van de eucharistie. Is Christus in de andere sacramenten door bijzondere werking van zijn genade aanwezig, in de eucharistie laat Hij zich persoonlijk ontmoeten, is Hij met heel zijn godheid en mensheid aanwezig. In de gedaante van brood en wijn is hij niet als een soort symbool dat verwijst naar, maar reëel en concreet aanwezig zodat St Thomas van Aquino kan zingen en wij met Hem, geknield voor het heilig sacrament: Adoro te devote latens Deitas, "ik aanbid U Godheid in verborgen staat, die in broodsgedaante waarlijk schuil hier gaat." De liefde van God voor ons ontmoeten wij hier en nu op de hoogst denkbare wijze in de eucharistische Christus. En in de eucharistie neemt Hij ons ook op in de beweging naar de Vader. Immers het offer van onze verzoening met de Vader, het offer van zijn gebroken Lichaam en van zijn voor onze zonden vergoten Bloed, is in de eucharistie aanwezig. En met Christus mogen we dit verzoenend offer aan de Vader aanbieden. Steeds opnieuw worden we opgenomen in het offer, dat ons redt van zonde en dood. En dat offer mogen wij met de Kerk, als Lichaam van de Heer, als de enige volmaakte eredienst van het nieuwe Testament aan God opdragen. Zo zijn wij op weg naar de Vader. Die dubbele beweging van God die naar ons toekomt en wij die daardoor op weg zijn naar God wordt voltooid in de communie: Christus komt in ons als Brood des Levens, als krachtbron voor ons leven. En in de kracht van dat Brood dat Christus is, blijven wij op weg naar de Vader, zijn wij sterker dan de dood. Daarom is ook de communie het laatste sacrament in het zicht van de dood: Christus komt tot ons met zijn liefdevolle kracht om ons sterk te maken voor de laatste reis en in de kracht van dat goddelijk voedsel overwinnen wij de dood. Daarom zoekt een christen in alle omstandigheden van het leven zijn kracht in de eucharistie. Medechristenen, het is zonde, doodzonde, dat zoveel mensen tegenwoordig zeggen: ik kan best christen zijn zonder naar de kerk te gaan; het is zonde, doodzonde, dat bij zoveel mensen de zondagse eucharistie er om het minste of het geringste bij inschiet. Immers christen zijn is in, met en vanuit Christus leven. Hoe kan dat als je het sacrament van zijn aanwezigheid en zijn liefde, dat Hij ons nagelaten heeft, verwaarloosd. En het sacrament van de ontmoeting met Hem, en dus ook van ontmoeting met elkaar op het niveau van de gemeenschap van de kinderen Gods in Hem, is het allerheiligst sacrament van het altaar, eucharistie. Daar wacht Hij op ons, op onze liefde om ons in de deelname aan en in de aanbidding van het sacrament te vervullen met zijn goddelijke liefde, opdat wij die in het leven van alledag kunnen doorgeven aan onze medemensen. Laten we daarom trouw zijn in het waardig vieren van de eucharistie en steeds weer bidden met de woorden van de sequens van dit feest: Bone pastor, panis vere: Goede Herder, Brood des levens, toon ons uw ontferming; wil ons weiden, ons geleiden naar de zalige aanschouwing in het hemels vaderland. Amen.



Sacramentsdag C
Bij: Gen. 14, 18-20
1 Kor. 11, 23-26
Luc. 9, 11b-17