
De wereld waarin wij leven is verre van een paradijs: er is voortdurend oorlog, dan hier, dan daar; mensen worden uitgebuit, vermoord, beroofd; ontelbare kinderen worden door hun eigen moeders vermoord nog eer zij geboren zijn. En wie van ons kent er niet in zijn eigen omgeving een ruzie, die niet bijgelegd wordt; mensen die op elkaar neerkijken, mensen met lange tenen. En wij die ons christen noemen, moeten ons ook steeds op de borst blijven kloppen, want wij staan daar jammer genoeg niet buiten. Ook wij maken er tot onze schande vaak genoeg deel van uit. De natuur onderstreept als het ware die verre van paradijselijke toestand: natuurrampen, ziekten, plotselinge en te vroege dood. De wereld is verre van een paradijs en zolang mensen de zaak in handen hebben zal het nooit een paradijs worden. Daarvoor is de zonde te zeer ingevreten in deze wereld. Nee, een paradijs kunnen mensen er niet van maken.
Het is maar gelukkig, dat God de wereld en de mens niet aan zijn lot overlaat. Hij heeft vanaf het begin heil beloofd; beloofd. Hij heeft beloofd dat Hijzelf zou komen om de wereld te redden en sindsdien bidt het gelovige deel van de mensheid: kom, Heer, om uw volk te redden. Als Gij ons niet redt zijn we reddeloos verloren! De profeet Jesaja profeteert in de eerste lezing van vandaag over Gods komen en hij zegt dat dat zal gebeuren door de Messias, de Verlosser, een onaanzienlijk twijgje uit de stronk van Jesse, de stronk van Davids koningshuis. Jesaja noemt het een stronk omdat dat koningshuid sinds de ballingschap toen het koningschap ophield als een dode stronk in Israëls geschiedenis stond. De stronk zou tot leven komen in een nieuw twijgje. God zal komen in een zoon van David, toegerust met alle gaven van God om de wereld rechtvaardig te regeren. Hij zal de machten van het kwaad breken, de boosdoener doden met de adem van zijn mond. Dan zal het een paradijs zijn, waarin mens en natuur en harmonie en vrede zijn.
De komst van de Messias zal een oordeel inhouden: de machten van het kwaad worden veroordeeld en allen die met het kwaad heulen, allen die zich van God en zijn geboden, van hun medemensen niets hebben aangetrokken zullen worden weggevaagd; en de kleinen, de geringen, de rechtvaardigen zullen deelhebben aan dat paradijs. Zij zullen met de Messias van God overwinnen.
Johannes de Doper kondigt in het evangelie aan dat de komst van die Messias nabij is en dat hij de mensen naar de vruchten die ze voortbrengen zal oordelen. En de bomen die geen goede vruchten dragen zal Hij omkappen. Het zijn beelden van het oordeel tussen de goeden en de slechten. Hij heeft de wan in de hand. Hij zal het kaf van het koren scheiden. Voor de rechtvaardigen zal Hij barmhartig zijn. Voor hen die verhard zijn in de boosheid, zal Hij een rechtvaardige rechter zijn. Voor de mensen die op Hem hopen, om zijn komst bidden, zal Hij de verhoring zijn van al hun wensen. Maar voor hen die in hun egoïsme hun zinnen volledig op het hier en nu gezet hebben ten koste van hun medemensen, zal Hij een eind maken aan hun goddeloos gedrag. Bekeert u dus, zegt Johannes, opdat Gij niet onder het oordeel valt. Bekeert u dus, opdat het paradijs uw deel zal zijn.
Met de komst van Christus in het vlees, met zijn dood en verrijzenis is het paradijs van God begonnen. Christus verzamelt de zijnen in zijn Kerk, leert hun Gods geboden te onderhouden en geeft hun zijn woord en zijn sacramenten als hulpmiddel Godwelgevallig te leven. Tot aan de wederkomst van Christus heeft iedereen de kans zich te bekeren en te bewijzen dat Hij daadwerkelijk bij God wil horen. Er is telkens vergeving en een nieuw begin. Tussen die eerste komst en de wederkomst roept de Kerk ons met de woorden van Jesaja en Johannes de Doper op ons te bekeren, ons af te keren van de machten van het kwaad en ons te oriënteren op Christus en zijn Rijk. Hij komt, Hij komt spoedig: dan zullen de moeiten van de een beloond worden en het ongeloof en de zonde van de ander bestraft worden. Voor hen die hopen op de beloning, en dat zijn wij toch allen, als we ons telkens bekeren, is de advent een tijd van blijde verwachting, de verwachting van de Heer die komt om recht te doen en te redden die tegen de verdrukking op Hem vertrouwden. Amen.



Tweede zondag van Advent jaar a
bij: Jes. 11, 1-10; Rom. 15, 4-9; Mt. 3, 1-12
JAAR A