“Waarom liet Gij ons van uw wegen afdwalen? Keer U weer tot ons. Scheur toch de hemel open en daal af, God onze Verlosser.” Zo klinkt het adventsgebed uit de mond van een handjevol Joden, dat uit de Babylonische ballingschap is teruggekeerd en tussen de puinhopen van het verwoeste Jeruzalem reikhalzend uitziet naar de God die hen eens uit Egypte had verlost. Ze zijn ontredderd: het is donker om hen heen geworden. Ze missen voorspoed en geluk. Ze missen de God van het heil. En ze weten maar al te goed hoe het komt, dat donker, dat ongeluk, die afwezigheid van God. Ze zeggen het: “De wind van de zonde heeft ons meegevoerd; wij waren als onreinen, onze goede werken als kleding door stonden bevuild. Niemand die eraan dacht uw Naam aan te roepen.” Als je vergeet de naam van God aan te roepen, dan wordt het donker om je heen; als je denkt dat niet Gods geboden, maar je eigen normen maatgevend zijn, dan trekt God zich langzamerhand van je terug. Vanuit de bittere ervaring van die duistere godverlatenheid begint het Joodse volk na zeventig jaar ballingschap en op de puinen van Jeruzalem zich opnieuw tot God te keren en te roepen: “scheur de hemel open, God, en kom met uw verlossing, maak het weer licht voor ons!” Dat is advent: je weer keren naar God, je hele wezen richten op Hem en zeggen: “kom, Heer, kom spoedig. Van en van niemand anders verwacht ik het heil. Kom in mijn leven en maak het licht.”
We voelen ons misschien niet zo hopeloos als die teruggekeerde ballingen in Jeruzalem maar we nemen de adventszang Rorate Caeli wel hun woorden in de mond en dat is goed zo. Want ook wij willen dat God in ons leven komt. Dat in ons, persoonlijk, gebeurt wat 2000 jaar geleden voor de mensheid gebeurde: dat God in Jezus naar ons toekomt en ons redding, heil en geluk brengt. Natuurlijk, Jezus is in ons leven gekomen. We zijn gedoopt, we geloven in Hem. Maar we weten ook, dat de lauwheid, de zonde, het materialisme, de gemakzucht steeds op de loer ligt en ook ons in bezit dreigt te nemen. Als we eerlijk zijn moeten we bekennen, dat ook wij afgedwaald zijn. Dat we te weinig zijn Naam aanroepen in het gebed, dat we onvoldoende ons vertrouwen op Hem stellen, dat onze daden zijn als vuile kleding, met zonde bevuild. Daarom is het goed dat wij in deze advent roepen: God, kom opnieuw in ons leven. Vergeef onze zonden, neem bezit van mijn hart. Je hart berouwvol openstellen voor God, opnieuw Christus in je leven laten komen: dat is advent.
Steeds weer opnieuw klinkt in de advent de oproep tot standvastigheid en waakzaamheid. We moeten standhouden in de gemeenschap met Christus, zodat geen blaam ons treft op de dag van de Heer. En de dag van de Heer is de dag van zijn definitieve komst, de dag wanneer het definitieve heil aanbreekt en iedere mens gewogen wordt in het oordeel of hij deel mag krijgen aan dat geluk. Jezus spoort ons in het evangelie aan voortdurend zo te leven, dat je altijd klaar bent voor die komst van de Heer. Je moet als christen zo leven, dat je altijd klaar bent, al is het vandaag, tegenover God verantwoording af te leggen van je leven. Als christen die zich van de advent bewust is, zul je je steeds moeten bekeren, steeds weer opnieuw vergeving vragen en je opnieuw toeleggen op een leven met Christus. Dat betekent de steeds weer herhaalde oproep tot waakzaamheid.
Moge de viering van de advent en ons toeleven naar het kerstfeest ons daarbij helpen. Mogen we met Christus leven als waakzame mensen. Amen.

Eerste zondag van de Advent b
bij: Jes. 63, 16b-17.19b; 64, 3b-7
1 Kor. 1, 3-9
Mc. 13, 33-37
Jaar B