Met de menswording van Jezus Christus nu ruim 2000 jaar geleden is God aan een nieuwe en beslissende fase in de mensengeschiedenis begonnen. Sinds de mens koos voor zichzelf en tegen God, is het kwaad in de wereld binnengetreden. Het kwaad heeft de mens zodanig aangetast, dat het oppermachtig in hem en in de wereld aanwezig is. In de wereld maar ook het leven van de individuele mens heerst de voortdurende strijd van goed en kwaad. En de mens is niet in staat in zijn leven en in de wereld het goede volledig tot stand te brengen. Zelfs de mens die die strijd in zichzelf serieus probeert te voeren, bemerkt steeds weer opnieuw dat hij tekort schiet: dat de rechtvaardigheid waarnaar hij streeft steeds weer aangetast wordt door de onrechtvaardigheid in zijn leven; dat de liefde voor de naaste steeds weer tekort schiet door egoisme; dat de liefde voor God weer vermengd is met te grote gehechtheid aan voorbijgaande dingen. Er is zoveel afwezigheid van goedheid in het leven van iedere mens, dat hij uit zichzelf niet in staat is tot gemeenschap met de algoede God. Hij is afgesneden van zijn bron en doel door het kwaad dat in hem is en de bevestiging van dat alles is de dood. Dat is de situatie van de mens voordat God beslissend en verlossend ingreep: de oude Adam van dood en zonde. Bij de menswording van Christus is God zelf dit strijdperk van goed en kwaad binnengetreden en wel als mens. Als mens heeft Hij in dez onvolkomen en zondige wereld de goede strijd van gehoorzaamhheid aan God, van liefde tot God en de naaste gestreden. Omdat Hij God was in wie geen zonde is heeft Hij als mens deze strijd op voorbeeldige wijze gestreden en Hij heeft de zonde van binnenuit, in het menszijn overwonnen en daarmee de dood. Als eerste van een nieuwe schepping, als de nieuwe Adam zetelt Hij aan Gods rechterhand. De mensheid is verlost en leeft bij God. Maar iedere mens afzonderlijk kan deel krijgen aan die verlossing door in geloof Christus als Verlosser te aanvaarden, door tot de nieuwe mens herboren te worden uit water en heilige Geest, zodat Christus, de Godwelgevallige, de levende, leeft in hem of haar. Met Christus’ verlossing begint te tijd van uitzien naar de voltooiing van de verlossing en van je steeds weer bekeren tot Christus. Het is de grote advent van de wereld, en van mijn leven. Het is de tijd van vertroosting, zoals de profeet Jesaja zegt: de straftijd is voorbij, de ongerechtigheden zijn in Christus vergeven. Het is de tijd van Gods geduld, zegt Petrus in zijn tweede brief. Hij wil dat allen tot inkeer komen en dat niemand verloren gaat. Het is tijd van bekering waartoe alle profeten en als laatste Johannes de Doper oproepen. De tijd om je toe te keren naar Christus, naar het leven van de nieuwe mens, naar het leven volgens het evangelie, naar het leven in de gemeenschap van de Kerk. En die bekering is een voortdurend proces: van je afwenden van het kwaad en van je toewenden naar het goede. Maar het is geen hopeloos proces meer. Want telkens wanneer je erom vraagt, is er vergeving in Christus, die zelf onze verzoening met God geworden is. Hij zelf stelt ook de kracht tot het goede beschikbaar in de heilige Geest die Hij ons schenkt als we zijn woord beluisteren en in ons opnemen en de sacramenten vieren waardoor Hij in ons gaat leven.
De advent is een hoopvolle tijd omdat we mogen weten dat de goede strijd gestreden is, de dood overwonnen en dat het Koninkrijk Gods in alle glorie zal komen, ook voor mij, als tenminste Christus leeft in mij. Het is een ernstige tijd, omdat we de barrieres voor Christus komst in ons leven steeds weer uit de weg moeten ruimen, de paden naar ons hart voor Hem recht moeten maken, Hem de weg moeten bereiden door daden van bekering, door het vragen van vergeving en het ons opnieuw richten op zijn evangelie. Dan zal de Heer ons niet onvoorbereid vinden bij zijn komst en dat zal de beloning die Hij met zich meevoert ook voor ons zijn. Amen.

Tweede zondag van de Advent b
bij: Jes. 40, 1-5, 9-11
2 Petr. 3, 8-14
Mc. 1, 1-8
Jaar B