"Brandoffers en zoenoffers hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt mij een lichaam bereid. Toen zei Ik: hier ben Ik; Ik ben gekomen God om uw wil te doen." Zo vat de Hebreeë­nbrief vandaag de verlossen­de komst van Jezus samen. Hij is in de wereld gekomen om de wil te doen van de Vader. Daartoe is Hij vlees, mens gewor­den. Omdat de mens zich door ongehoorzaamheid aan zijn Schepper in het ongeluk had gestort, is er een nieuwe mens nodig, die in het lichaam, in het vlees, als mens dus opnieuw volledig gehoorzaam is en zo voor de mensheid plaatsvervangend genoegdoening geeft aan God: die plaats­ver­vangend voor alle mensen, die gevangen zitten in de ongehoor­zaam­heid aan God, de wil doet van de Vader. Jezus zegt: hier ben Ik, ik ben gekomen om uw wil te doen. Hij heeft dat gedaan. Hij, de Zoon van God, werd mens in een stal, leefde een leven van gehoor­zaam­heid aan de wil van God tot de dood op het kruis. Zij levensof­fer, dat begon in de kribbe van Bethlehem en dat voltooid werd op het kruis was een levend offer van gehoorzaamheid aan de Wil van de eeu­wige Vader. Zo is Hij Heer geworden van een nieuwe schep­ping, die op God gericht staat en die getekend wordt door overgave aan de wil van God.
Elisabeth erkent dit vandaag in het evangelie: gezegend de vrucht van uw schoot; waaraan heb ik het te danken, dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt? Zij noemt de ongeboren Jezus de Gezegende en haar Heer. Hij is de Gezegende die komt in de Naam van God en Hij is de Heer van de nieuwe schepping.
Zij noemt ook Maria gezegend: gij zijt gezegend onder de vrouwen. Gezegend omdat zij mee mag werken aan de ver­lossende komst van Christus. Gezegend omdat zij de Verlosser der wereld mag dragen. Maar ook vooral geze­gend, omdat zij als persoon in heel haar hou­ding al in het verlossingwerk is opgenomen. Immers ook Maria is ten volle bereid de wil van God te doen met alle conse­quen­ties van dien. Zij immers heeft gezegd: zie de dienst­maagd des Heren, mij geschie­de naar uw Woord. Hoewel ze niet begreep, hoe het kon zijn, dat zij een kind kreeg zonder een man te bekennen, gaf ze zich zonder voor­behoud over aan de wil van God. De wil van God staat bij Jezus, maar ook bij Maria centraal in het leven. Door de wil van God te doen, door mens te worden, te leven, te lijden en te sterven in gehoorzaamheid aan God heeft Jezus de verlossing bewerkt. Door zich gehoorzaam in dienst te stellen van het heilswerk van God heeft Maria aan de verlossing meegeholpen en er zelf deel aan gekregen.
Ook wij krijgen er deel aan door niet alleen telkens in het onze vader te bidden: uw wil geschiede, maar door ons daadwerkelijk bij die wil van God aan te sluiten. Daarin bestaat ook de adventsoproep van de profeten, van Johannes de Doper: bekeert u, maakt u klaar voor de verlossing. We moeten ons bekeren tot de wil van God, die mens werd in de stal, die uit liefde stierf op het kruis. Door die wil zijn wij geheiligd, eens en voor altijd, door het offer van het Lichaam van Jezus Chris­tus. Sluiten we ons aan, laten we ons opnemen in die wil van Christus, zoals Maria deed; overgegeven zijn in ons dagelijk­se doen en laten aan de wil van God: dan zijn wij verloste mensen, dan zijn wij gezegend, omdat wij daadwerkelijk geloven wat ons vanwege de Heer gezegd is. Amen.
VIERDE ZONDAG VAN DE ADVENT C
Bij: Micha 5, 1-4a
Hebr. 10, 5-10
Luc. 1, 39-45
jaar c