Vandaag jubelt de Kerk over de menswording van Gods Zoon. Ze bezingt de liefde van God, die zover gaat, dat Hij God-met-ons wordt in de Godmens Jezus Christus. Natuur­lijk, we wisten al dat God van ons hield: dat Hij ons uit liefde geschapen had en dat Hij ons ook niet laat vallen, als we ons van Hem hebben afgekeerd. Hij bleef tot ons spreken door de vaderen en door de profe­ten van het oude Verbond.
Maar nu spreekt die grote, onverstelbare, eeuwige God persoonlijk door zijn mensge­worden Zoon, afstraling van zijn eigen heerlijkheid en evenbeeld van zijn wezen. Want het Woord dat van eeuwig­heid bij God was en zonder wie niets geworden is van wat geworden is, is vlees geworden en heeft onder ons ge­woond. Hij, die als enige ooit God heeft gezien en Hem ten volle kent, de eniggeboren God die is in de schoot van de Vader, werd mens en heeft ons God doen kennen.
Doordat wij Jezus kennen, kennen wij God: wie Mij ziet, ziet de Vader; de Vader en Ik zijn één. En hoe heeft Jezus ons God doen kennen: als een barmhar­tige, eindeloos lief­hebbende en barmhartige God die de mensen wil redden uit hun zonden, die tussen hen en God in staan. Hij wil zelf als mens die zonden wegdragen, in zijn mensgeworden Woord een brug slaan tussen Hemzelf en de mensheid; een brug waarover men opnieuw tot Hem zou kunnen naderen.
Hij is daarbij niet teruggeschrokken voor het feit, dat Hij wist, dat Hij door de wereld verworpen zou worden. "De wereld was door Hem geworden en toch erkende de wereld Hem niet. Hij kwam in de wereld maar de zijnen aan­vaardden Hem niet". Ze sloegen het mensgeworden Woord aan het kruis en probeerden Hem uit de wereld te ban­nen". God wist dit in zijn voorzienigheid, maar Hij is er niet voor teruggeschrokken. Want zijn mensgeworden Woord kon zo als God zijn eindeloze liefde voor de mensen tonen en tegelijk als mens aan de Vader het volmaakte menselijke liefdesantwoord geven en zo de mensheid met de Vader verzoenen. Het bloed van het kruis is tegelijk de volmaakte liefde van God voor ons en de volmaakte liefde van de eerste der mensen voor God. Zo werd de mensheid gereinigd van zonden, zo werd de brug gebouwd naar God. Aan die reiniging krijgen deel, over die brug mogen gaan: "allen die Hem wel aanvaarden, allen die in zijn Naam geloven". Zij die in Jezus gelo­ven, die Hem aanvaarden, worden door het doopsel kinde­ren van God, herboren uit water en heilige Geest, waar­achtig kinderen van God, begiftigd met eeuwig leven.
Daarom jubelt de Kerk vandaag met de apostel Johannes: het Woord is vlees gewor­den en het heeft onder ons gewoond. Wij hebben zijn heerlijkheid gezien, zulk een heerlijkheid als Eniggebo­rene van de Vader ontvangt, vol genade en waarheid.
Wij hebben de heerlijkheid Gods op aarde gezien, vol genade en waarheid. Niet ver weg, hoog in de hemel, maar hier dichtbij ons. God-met-ons in het kind in de kribbe. God-met-ons in zijn prediking, God-met-ons in zijn grenzeloze liefde op het kruis, God-met-ons in zijn overwinning op de dood met Pasen.
En ook nu nog woont Hij onder ons, zien wij in geloof zijn heer­lijkheid in de machtige dingen die Hij doet:
-in zijn Kerk, die Hij ondanks alle tegenwerking doet voortbestaan als zijn zichtbare aanwezigheid in deze wereld, als zijn Lichaam onder ons, waarvan wij ledema­ten mogen zijn:
-in het Woord van zijn evangelie dat Hij spreekt binnen zijn Kerk en dat een betrouwbare gids is op onze levensweg;
-in het doopsel waarin Hij ons zijn goddelijk leven geeft, dat sterker is dan de dood;
-in de eucharistie waarin Hij persoonlijk onder ons woont en het hart van zijn Kerk is, voedsel voor allen die in Hem geloven en met Hem willen overwinnen;
-in mensen, die Hem aanvaarden en op heldhaftige wijze van Hem getuigen ook in onze dagen in daden van liefde en geloof tegen de mode van de dag of zelfs tegen ver­volging in.
De menswording gaat door, de heerlijkheid van Gods Zoon is in deze wereld, even stralend en tegelijk even ver­borgen als bij het Kind in de kribbe, als bij de Man op het kruis.
Sommigen gaan eraan voorbij. Ze hebben het te druk met de wereld, die voorbijgaat, te druk met zichzelf. Ande­ren verwerpen uitdrukkelijk het licht van de wereld. Ze geloven in de macht, niet in de liefde. Ze geloven: we leven maar één keer en we doen onze eigen zin. Dan is God en zeker een mensgeworden God, die duidelijke dingen voorhoudt en voorleeft maar lastig.
Laten wij Hem aanvaarden, zijn heerlijkheid erkennen in zijn Kerk, in zijn Woord, in zijn sacrament, dan zijn wij kinderen van God op weg naar het eeuwige licht.
Kerstmis dagmis
bij: Jes. 52, 7-10; Hebr. 1, 1-6; Joh. 1. 1-18