
Gisteren , 30 augustus 2007, viel in alle brievenbussen van de parochies in Nederland een brochure binnen, getiteld “Kerk en ambt” met als ondertitel “Onderweg naar een kerk met toekomst”. De schenker van dit fraais is de Nederlandse provincie van de orde der dominicanen, eertijds beroemd om grote katholieke theologen en kerkleraren zoals Thomas van Aquino en Albertus Magnus, nu in Nederland sinds vijftig jaar gekend als opstandig en dissident met als grote coryfee de omstreden Nijmeegse theoloog Edward Schillebeeckx.
De ontvangen brochure heeft niets van doen met Thomas of Albertus Magnus maar staat geheel in de traditie van de laatste vijftig jaar: steeds losser van de katholieke Kerk, steeds weer de kerkelijk hiërarchie trotserend. Het staat in de lijn van hun rebelse activiteiten in Huissen, in de Dominicusgemeenschap in Amsterdam en in het Giordano Bruno huis te Utrecht. Al die activiteiten kunnen gekenschetst worden als meer en meer los van de katholieke traditie, los van de katholieke leer en het leergezag. Of positief gezegd: een zelf bijeengeknutseld geloof op basis van de zogenaamde verworvenheden van de jaren zestig. Blijkbaar gefrustreerd door een krampachtig beleefd katholiek verleden is de orde in Nederland sinds de jaren zestig volkomen van de ankers losgeslagen zeer tot verdriet van eminente dominicanen als prof. Maltha en prof. mag. van der Ploeg, zaliger.
Zoals dat met de meeste fervente voorvechters van de ideeën van de jaren zestig het geval is zijn de paters die ons de brochure aanbieden bejaarde grijsaards. De ideeën die ze nu aan de parochies aanbevelen om levende gemeenschappen te blijven en die ze in allerlei variaties in hun gemeenschappen al jaren in praktijk brengen, hebben er blijkbaar niet voor gezorgd dat er nieuw leven in de Nederlandse orde kwam. Bisdommen en gewoon katholieke vernieuwingsbewegingen tellen veel meer jonge mensen die zich actief engageren. Laten we de mensen in kwestie eens bekijken.
Allereerst het bestuur dat de zaak heeft geëntameerd en waarschijnlijk de druk- en verzendkosten betaald heeft:
Ben Vocking, prior provinciaal, 71 jaar.
Gijs Goes, co-provinciaal, gezien zijn foto in dezelfde leeftijdscategorie.
En dan de auteurs:
André Lascaris is met zijn 68 jaar de benjamin van het gezelschap.
Jan Nieuwenhuis is 83 jaar en was jaren verbonden aan de sectarische Dominicusgemeenschap in Amsterdam waar men de gepropageerde ambtsopvatting al lang in praktijk brengt.
Ad Willems is 81 jaar en oud hoogleraar in Nijmegen.
Harrie Salemans was jarenlang lid van de Giordano Bruno gemeenschap in Utrecht. Giordano Bruno was een middeleeuwse ketter en als zodanig veroordeeld. Het zegt al veel als je zo iemand als “patroon” van je huis kiest. Ik wil het graag als profetisch zien dat dit huis, waarschijnlijk niet uit weelde, dit jaar zijn deuren heeft moeten sluiten. Ze willen het nog steeds niet inzien maar de jaren zestig raken echt voorbij.
In een eerste hoofdstuk wordt gesteld: “Een fundamenteel bezwaar van deze kerkgemeenschappen tegen dit beleid is dat de officiële kerkleiding daarin principieel kiest voor bescherming van het priesterambt in de huidige vorm boven het recht van de geloofsgemeenschap op de eucharistie. Het volgen van de officieel goedgekeurde tafelgebeden en vooral het uitspreken van de instellingswoorden is hier niet alleen belangrijker dan de gemeenschap van de gelovigen; het wordt ook gezien en gehanteerd als een exclusieve macht die voorbehouden is aan de gewijde priester.” Uit dit stukje wordt voor iemand met een minimale sensus catholicus al duidelijk dat de schrijvers geen enkele weet meer hebben van het sacrament van de eucharistie en het sacrament van het priesterschap. Ze zeggen dat dit komt “omdat de inzichten ten aanzien van de betekenis en de bediening van de eucharistie sinds het Tweede Vaticaanse Concilie veranderd zijn.” Ze vergeten er bij te zeggen “bij ons veranderd zijn”. En “bij ons” is dan sektarische groepen die zich van de universele Kerk verwijderd hebben en bij groepjes in bepaalde parochies die door priesters of pastorale werkers van het sektarische soort op kosten en in naam van de katholieke Kerk jarenlang bewerkt zijn. De officiële documenten van het Concilie en van het postconciliaire leergezag staan duidelijk in lijn met de ononderbroken apostolische traditie dat de apostelen (de bisschoppen) en hun medewerkers (de priesters) de kerk leiden, niet krachtens een mandaat van onderop maar krachtens een aanstelling door Christus zelf via het wijdingssacrament waardoor men in de apostolische successie binnentreedt. Die wijding geeft de bisschop (de priester) de volmacht van Christus zelf om de gemeenschap te leiden, daarin met gezag het woord te verkondigen en de sacramenten te bedienen. In het centrum van alle sacramenten staat de eucharistie, waarin de priester in persona Christi mag handelen. Inderdaad is dus het consacreren van de eucharistie en het opdragen van het eucharistisch offer exclusief aan de priester voorbehouden omdat het het opus Christi is dat hij bewerkt door de priester. Zo sacramenteel zit de heilsorde van het nieuwe testament nu eenmaal in elkaar. Dat zal trouwens het hele katholieke oosten (orthodoxie) en westen erkennen. Het gaat niet om macht, het gaat om hoe Christus aanwezig is en werkt binnen zijn gemeenschap. Die inzichten zijn oeroud. De inzichten van Lascaris en de zijnen zijn trouwens niet zo nieuw als hij doet voorkomen. Ze lijken verdacht veel op de ideeën van de reformatie waartegen de Kerk al eeuwen geleden stelling genomen heeft.
“Een groot deel van het kerkvolk waardeert een woord- en communiedienst op gelijke voet met een strikte eucharistieviering” (p. 12) Als dit al zo is, dan ligt dit aan “voorgangers” die alle moeite doen het verschil te verdoezelen. Er zijn mij talloze vieringen bekend waar ik aan de hand van de boekjes niet eens kan uitmaken wat voor soort viering het is: een merkwaardig gefröbelde quasi-eucharistie of een danig uit de hand gelopen woord- en communievieringen. Het is niet zo’n grote kunst het vertrouwen van de gelovigen in hun voorgangers te misbruiken door die gelovigen langzamerhand handig in een ander geloof te loodsen. Dat is ten tijde van de reformaties door vele pastoors gebeurd en dat gebeurt ook nu. Het zou een sociologisch onderzoek waard zijn om de opvattingen van de gemiddelde gelovige in een parochie waarin men altijd een normale katholieke pastoor gehad heeft, te vergelijken met een parochie waar de ideeën van Lascaris cs consequent als katholiek aan de man gebracht zijn.
Het vernauwde blikveld van de vergrijsde dominicanen komt ook tot uitdrukking in een zin als: “De parochies zouden, als zij de kans kregen, veeleer en principieel kiezen voor parochies waarin op gelijke voet zowel “gewijde” priesters als “geroepen” leken (mannen en vrouwen kunnen functioneren.” (p. 14) Hiervoor geldt ook wat ik hierboven gezegd waarbij men wel moet bedenken dat tante Truus of ome Henk die door de pastor achter het altaar zijn geplaatst maar moeilijk hun verworven positie opgeven wat de gemiddelde parochiaan er ook van vindt want zij zijn ondertussen de stemhebbende parochie geworden.
“Veelal blijken door de voorganger of door gemeente zelf gemaakte gebeden meer gewaardeerd te worden dan de officieel voorgeschrevene, omdat ze beter aansluiten bij waar men in het dagelijkse leven mee bezig is. Vaak komt de wens – en ook de praktijk – naar voren om de vaste instellingswoorden te vervangen door een meer begrijpelijke en bij het nieuwe geloofsinstinct aansluitende formulering.” (p. 15/16) Dank je de koekkoek, zou ik zeggen. Eerst de mensen van hun geloof brengen en dan zeggen dat de geloofsgebeden er niet meer bij aansluiten. Zo cirkel je wel omlaag wat ook heel goed door het woord “geloofsinstinct wordt aangegeven. Het geloof van Lascaris cs heeft inderdaad steeds minder met Jezus en zijn Blijde boodschap te maken, steeds minder met de katholieke Kerk; vandaar dat ze op hun instinct gaan leven. Dat sluit wel aan bij “dat-voel-ik-zo-mentaliteit” van onze dagen. Wij, katholieken, voelen ons meer thuis bij dat-is-zo. We hebben immers de boodschap van de Koning van de waarheid. Naar mijn beste overtuiging stammen de instellingswoorden rechtsreeks uit het evangelie (Korintiersbrief) maar via het toverwoord hermeneutiek zullen André en zijn bejaarde kornuiten zich wel gerechtigd voelen hun interpretaties van die woorden te gebruiken.
In hoofdstuk 2 wordt de Kerk beschreven, niet zoals de Kerk zichzelf beschrijft, maar zoals het volgens een bepaalde stroming had gemoeten.
Blz. 22 worden de kerkleiding duisteren manoeuvres verweten waarmee ze de bedoeling van het concilie ongedaan hebben gemaakt. En dat zou zijn: het primaat van de gemeenschap boven de hiërarchie. Wat de gemeenschap vindt, is belangrijker dan hiërarchie. Er wordt daar ook een zogenaamd algemeen principe aangehaald dat na de stichter in een gemeenschap de gemeenschap het laatste woord heeft. Mocht dat al zo zijn, dan is dat bij Jezus niet zo, die nadrukkelijk zijn volmachten aan de apostelen (en bijzonder aan Petrus) overdraagt. Daarom ligt in zekere zin het primaat bij de apostelen en dus ook bij de hiërarchie omdat zij Christus sacramenteel vertegenwoordigen. Immers bij Christus ligt het primaat in de Kerk. Het postconciaire kerkmodel is niet pyramidaal zoals vroeger maar het is als een cirkel waarin de gelovigen verenigd zijn rond de gewijde herder, gedachtig de oeroude uitspraak: ubi episcopus ibi Ecclesia (waar de bisschop is, daar is de Kerk).
Wat in hoofdstuk 3 over de eucharistie wordt gezegd raakt geen enkele katholieke kant of wal. Het is verregaand gespychologiseer. “Bloed vergoten tot vergeving van de zonden” zou niet betekenen wat er staat maar: “Dit grenzeloos delen (Jezus die zijn leven uitdeelde op het kruis) is bevrijdend: het maakt ons vrij van knellende banden, van kwaad, van missers die we gemaakt hebben, van ‘zonden’, van een verleden dat ons terneer drukt.” Begrijpt u het nog. Het sluit in ieder geval niet aan bij mijn levensgevoel.
Op blz. 29 wordt kritiek geleverd op het benadrukken van de eucharistie als offer omdat “het karakter van de tafelgemeenschap door de kerkelijke leiding als bedreigend wordt ervaren.” Wat is dit voor onzin? De tafelgemeenschap in de eucharistie staat voor alle katholieken onomstotelijk vast. “Ter heilige Tafel naderen” was vroeger al een gangbare uitdrukking voor het communiceren. Maar wat aan de tafelgemeenschap voorafgaat: het eucharistische offer, was de laatste veertig jaar behoorlijk ondergesneeuwd en ik merk nu bij Lascaris cs dat dat ook hun zorgvuldig streven is geweest. Geen wonder dat men geen onderscheid meer ziet tussen eucharistie en communiedienst!
In Hoofdstuk 4 worden de oude stellingen van Schillebeeckx uit zijn boekje over het ambt herhaald: “Op grond van de voorrangspositie van het volk Gods boven de hiërarchie – uitdrukkelijk tijdens het tweede Vaticaans Concilie uitgesproken – mag van de diocesane bisschop worden verwacht deze keuze (van vrouw of man, homo of hetero, gehuwd of ongehuwd) in goed overleg te bevestigen door zijn handoplegging. Mocht dit bisschop de wijding of inordening weigeren op grond van argumenten die niet het wezen van de eucharistie raken, zoals de celibaatsverplichting, dan mogen de parochies erop vertrouwen dat zij toch echt en waarachtig eucharistie vieren wanneer zij biddend brood en wijn delen” (p. 37)
Schillebeeckx heeft indertijd deze theorie vanuit de kerkgeschiedenis trachten te onderbouwen. Alle teksten uit de oude kerk en uit de patristiek die Schillebeeckx aanhaalde zijn toen deskundig bekeken door dr. Q. Meershoek in zijn boek “Theologie op bestelling”. Hij heeft aangetoond dat Schillebeeckx de teksten heeft gemanipuleerd door ze verkeerd te citeren of uit hun verband te rukken. Van een weerwoord van Schillebeeckx waartoe Meershoek hem uitdaagde is nooit meer iets vernomen.
Inderdaad, de dominicanen leveren theologie op bestelling voor hun sektarische groepjes en voor jarenlang misleide leken in parochies. Er is één troost: ze zijn allen oud. Het gaat in ons land om de laatsten der dominicanen.



DE LAATSTEN DER DOMINICANEN
VRIJMOEDIG
COMMENTAAR