EUTHANASIE

De positieve reactie van Francis Hartmann in BD van 14 september was niet de laatste in een reeks commentaren over de euthanasiekwestie in Liempde. Pastor Schumacher voegt er op 23 september iets aan toe: een leuke vergelijking van het geloof met een bril. Ook al willen brildragers wel eens iets  nieuws, het is niet raadzaam om een bril kiezen waardoor je de wereld anders ziet. Scherp zien is waar het om gaat,  niet anders zien. Volgens mij ziet Schumacher niet scherper maar anders. Hij zegt weinig diepgaands over de maatschappelijke context van euthanasie. En hij laat de vraag open waarom toch altijd die Brabantse pastoors in het nieuws komen. Deze vraag zou iets van een trend in beeld kunnen brengen. Deze twee lacunes in het debat over euthanasie wil ik graag aanvullen.
Er is momenteel een wetsvoorstel in behandeling in de Tweede Kamer: Toetsing Stervenshulp aan Ouderen. Dit houdt in dat mensen vanaf 70 jaar stervenshulp kunnen krijgen als zij hun leven voltooid achten. Deze leeftijdsgrens is geïnspireerd op de doelstelling van Huib Drion (van de gelijknamige pil) om ouderen op aanvaardbare wijze uit het leven te helpen stappen. Het huidige wetsvoorstel komt van de initiatiefgroep Uit Vrije Wil. Het is een teken dat we steeds makkelijker zijn gaan denken over leven en dood. Of een teken dat een kleine groep wil doen geloven dat leven en dood niet zo ernstig zijn als we altijd gedacht hebben? Ik ben geneigd om dit laatste te denken.
Er zijn filosofische redenen genoeg, ook los van het geloof, om hier niet in mee te gaan. Daarvoor hoeven we niet perse terug naar de Scholastiek, de overheersende filosofie van de hoge Middeleeuwen. Toen werd geleerd dat de ziel het vormende principe is voor het lichaam. Zonder ziel geen lichaam, maar zonder lichaam ook geen complete mens, die uit ziel én lichaam bestaat. Hiermee keerde de Scholastiek zich tegen het dualisme, dat ziel en lichaam als twee substanties zag die op een of andere manier aaneen gekoppeld waren, maar die idealiter ook weer gescheiden werden. De huidige euthanasiediscussie laat sporen zien van dit oude dualisme; de mens kan zich met zijn geest keren tegen zijn lichaam als hem dat hindert. Wie niet meer wil leven, maakt een einde aan zijn lichamelijk bestaan. Het gaat immers om de (geestelijke) beleving van mijn leven. Sommigen geloven daarbij  nog in een voortbestaan van de mens als individu, al laat zich individualiteit moeilijk omschrijven wanneer de band van de geest met een uniek lichaam ontkend wordt.
Ofschoon de Scholastiek een neo-gestalte heeft gekregen in de 19e en 20e eeuw, was blijkbaar die niet krachtig genoeg om het moderne levensgevoel aan te spreken. Misschien komt dat nog in de 21e eeuw. Toch zijn er ook andere filosofische visies ontwikkeld die ons tot nadenken stemmen als het gaat om euthanasie. Wat stelde de rationalistische filosoof Immanuel Kant bijvoorbeeld? ‘Vanuit je zelfbeschikkingsrecht mag je in principe alles beslissen, uitgezonderd de beslissingen die leiden tot de teloorgang van je eigen zelfbeschikking.’ Met andere woorden: je bent vrij maar je mag je eigen vrijheid niet vernietigen. Als vrijheid een positief gegeven is, en de meesten zijn geneigd om dat aan te nemen, dan is het tegenstrijdig om een einde te maken aan die vrijheid door een einde te maken aan je leven. De Stoïcijnen hadden (vóór Christus) al een probleem om deze tegenstrijdige plooi glad te strijk in hun deterministische systeem, waarin alles geacht werd gestuurd te worden door Fortuna, soms genoemd: de natuur, met haar ongeschreven wetten. Voor een stoïcijn kon de zelfgekozen dood eervol zijn. Voor christenen niet. Zij hoefden geen plooi glad te strijken. Zij geloofden eveneens in onzichtbare sturing, maar dan door de Providentia (Voorzienigheid): Een persoonlijk goddelijk wezen dat in de volheid van de tijd zichtbaar was geworden in de Zoon, Christus, die de dood had overwonnen door haar te aanvaarden in gehoorzaamheid aan zijn Vader (‘In uw handen beveel ik mijn geest’).
Over deze theologisch-filosofische kant van de zaak valt nog meer te zeggen. Toch geef ik liever een ander voorbeeld van anti-euthanatisch denken. Namelijk de extistentiefilosofie, waarvan christelijke en niet-christelijke varianten bestaan, laten we zeggen van Kierkegaard tot Sartre en verder. De existentiefilosofie ziet het leven niet in zijn essentialistische vorm (de mens is wat hij is en niets meer of minder), maar als een te realiseren project. Wij moeten ons leven waarmaken. Op grond van wat we meekrijgen, onze ‘geworpenheid’, hebben we de vrijheid en verantwoordelijkheid om er zelf iets van te maken. De dingen hebben niet alleen zin (of niet), we geven ze ook zin (of niet). Dit betreft ook het lijden. Dat is niet wat het is, maar kan een specifiek menselijke zin krijgen op grond van onze subjectiviteit. Iemand als Johannes Paulus II heeft zijn leven lang nagedacht en geschreven over het mysterie van het lijden, waardoor de mens tot waarachtig mens-zijn geopend kan worden. Zijn eigen volharding tot aan het bittere einde is daar een illustratie van. Het was meer dan theorie. In zijn broosheid getuigde de Poolse paus tegen wat hij  noemde ‘de cultuur van de dood’; de heimelijke hunkering om de dood enerzijds verdrijven uit de publieke aandachtssfeer, maar anderzijds te instrumentalisreen voor een betere samenleving (denk aan ideologieën die de waardigheid van de mens laten afhangen van zijn gezondheid, afkomst, gewenstheid of intelligentie).
In deze context krijgt het euthanasiegeval in Liempde meer reliëf. Het staat niet op zichzelf. Het is een exponent van een om zich heengrijpende levensfilosofie. Of moeten we zeggen doodsfilosofie? En er zijn tegenstromen! Van de kant van de religie (niet alleen het christendom), maar ook van de kant van ‘het groene denken’: de mens is geen product van het economische proces maar het economische proces moet ten dienste staan van de mens en zo nodig bijgesteld worden. De dood is geen ‘probleempje’ dat we kunnen leggen op de macroweegschaal van inkomsten en uitgaven. Sterven is iets natuurlijks, waartoe de mens in staat is en uiteindelijk zelfs geroepen is. Goed sterven is meer dan goedkoop sterven. Het is ook meer dan pijnloos sterven. Het is een opgave van heel de mens en zijn natuurlijke omgeving. Daarom klinkt de benaming ‘eu-thanasie’ (goed-sterven) in de huidige vorm zo cru.
Nu naar de Brabantse pastoors. Dat zijn geen domme jongens. De meesten van hen zijn gevormd aan het St.-Janscentrum, met een filosofische vorming van twee jaar, een theologische vorming van drie jaar (inmiddels vier) en een pastorale training van een jaar. Kenmerkend voor het St.Janscentrum was misschien dat het qua kerkelijkheid tussen de liberale mentaliteit van het Noorden zat, waar geen seminaries maar convicten bestonden die gelieerd waren aan de universiteiten, en de defensieve mentaliteit van het Zuiden, waar Rolduc als modelseminarie een geheel eigen koers vaarde. Zowel liberalisme als defensiviteit geven een tamelijk relaxte uitgangspositie om zich te verhouden tot de moderniteit: je aanvaardt haar of je negeert haar. In beide gevallen komt het niet tot een echt gesprek. Je praat met alle monden mee of je zwijgt. Zo niet in het Bosche St.-Janscentrum. De colleges waren een voorbeeld van de boeiende poging om het katholieke geloof positief te integreren en tevens vragen te stellen bij de mogelijkheid om datzelfde geloof over te dragen aan de wereld van nu.
Priesters van het St. Janscentrum lopen over het algemeen niet aan het handje van de bisschop. Ze durven zich gezond kritisch te verhouden tot de positie die in het pastorale veld worden ingenomen door hen die leiding geven. Dat hebben zij intern al geleerd! Daar mocht over gepraat worden. De priesters van het St.Janscentrum kennen hun plichten maar ook hun rechten, mede door een uitstekende introductie in het canoniek recht. Dit aspect van het kerkelijk leven hebben zij leren appreciëren als een bescherming van de redelijkheid in het bestaan van gelovigen én ambtsdragers. Wie ook maar een beetje kaas heeft gegeten van canoniek recht, weet dat het net zo onmisbaar is voor de kerk als burgerlijk recht voor de staat. Het geeft verworteling in het verleden en houvast voor de toekomst. Al verandert er veel, sommige dingen blijven. Niet omdat een paus of bisschop dat vindt, maar omdat het leven en dus ook het geloofsleven gewoon zo in elkaar zit. Dat heeft niets te maken met ‘spirituele dictatuur’ (Bosman). Het is juist een bevrijding van de dictatuur die ontkent dat er vaste waarden zijn.
Tenslotte was het zo dat het St. Janscentrum sans gêne aansluiting zocht bij de Wereldkerk. De audiënties bij ‘de Heilige Vader’ in Rome waren meer dan folkloristische uitstapjes. Ze vormden inspirerende en levensveranderende ontmoetingen met de opvolger van Sint Petrus, op grond van het vrije en bereflecteerde engagement voor de kerk van een groeiend aantal jongemannen. Maar deze zelfde opvolger van Sint Petrus was bij zijn bezoek aan Nederland in 1985 niet bepaald vriendelijk ontvangen. Zouden de studenten van het St.-Janscentrum de illusie hebben gehad dat zij wél vriendelijk ontvangen zouden worden in de plaatsen waar zij te werk gesteld gingen worden? Neen, de ontnuchtering begon al binnen de eigen opleiding. Hierdoor werd reeds geanticipeerd op het mogelijke schuren met de gegroeide mentaliteit in veel van de parochies in het bisdom.
Dachten de kandidaat-herders van het St.Janscentrum dat zij het beter wisten dan de schapen waar zij voor zouden moeten zorgen? Ja. Anders is een herder geen herder en een schaap geen schaap. Maar dit beter weten was geen kwestie van klerikalisme (‘ik heb een ambt dus ik heb voorrang’), maar van een gezond katholiek zelfbewustzijn dat, hoe je het ook wend of keert, altijd meer toekomst heeft gehad voor de kerk dan de aarzelende zelfpositionering van hen die aan het roer stonden ten tijde van katholieke laagconjunctuur. Als je het denkt beter te weten dan de ander, dan wil dat niet zeggen dat de anders niets interessant te zeggen heeft of soms zelfs gelijk kan hebben. Het wil ook niet zeggen dat je geen goede gesprekken kunt voeren. Het wil zeggen dat je gelooft in de positiviteit van de katholieke bronnen, die deels gebaseerd zijn op de redelijkheid en deels op datgene wat de mens overstijgt: de zin van het bestaan. Zo bezien heeft de pastoor van Liempde ons een dienst bewezen om daar meer over na te denken, aleer we iets roepen.

Harm Schilder, pr.

1 oktober 2011