Het mysterie van de verlossing dat we vandaag vieren, broeders en zusters, is het mysterie van de verheffing én van de nabijheid van onze Heer. Het mysterie van de verheffing: de prefatie van dit feest zegt het zo treffend: de Heer Jezus, de Koning der glorie, de overwinnaar van zonde en dood, is tot verwondering van de engelen op deze dag naar het hoogste der hemelen opgestegen, waar Hij zetelt als Middelaar tussen God en de mensen, als Rechter der wereld en Heer van alle machten. De Zoon van God is de heerlijkheid van zijn Vader binnengegaan, maar Hij heeft, als ik het zo mag zeggen zijn mens zijn meegenomen. Het is een mensenzoon, een mensenkind dat zetelt aan de rechterhand van God. Dat is een geweldig mysterie: het is niet meer zo: wij hier op aarde, God in de hemel en daartussen een geweldige afstand van sterfelijkheid, vergankelijkheid, van zondigheid en onmacht. Nee, de mensheid is tot in de hoogste hemel tot aan de rechterhand van God doorgedrongen. En het is Gods liefde die dat heeft bewerkt. In Christus zijn wij bij God. Dat is de hoop, die in ons leeft, die dit feest in ons wekt: de weg naar de hemel ligt ook voor ons open. Christus heeft hem gebaand. Hij is er al. De mensheid is al bij God aangekomen. Er is al een nieuwe schepping. Vanuit het mysterie van zijn verheffing wordt pas ten volle duidelijk wat het wil zeggen: Ik ben het licht van de wereld, Ik ben de goede herder, Ik ben de verrijzenis en het leven, Ik ben de weg de waarheid en het leven. Natuurlijk is Hij dat. Hij staat immers stralend in de heerlijkheid van zijn Vader te wenken naar zijn broeders: kom, ik heb een plaats voor u bereid. Het is niet onmogelijk hier te komen. Ga mijn weg, laat mijn licht je leven verlichten. Vertrouw op Mij en wanhoop nooit. Hij nodigt uit tot die nieuwe schepping die voor alle mensen openligt, die zijn weg willen gaan, die in Hem willen leven. Vandaar de dringende opdracht aan zijn leerlingen: gaat en onderwijst alle volken, doopt hen en leert hun te onderhouden alles wat ik u geboden heb. In Christus zijn, daar komt het op aan. Maar is de verheffing van Christus niet tegelijk een verwijdering van ons zijn broeders. Is de afstand niet te groot geworden tussen hemel en aarde. Is Hij ons nog wel nabij, nu we Hem net als de apostelen niet meer zien. Paus Leo de Grote heeft al in de vijfde eeuw in een preek op dit feest gezegd: vanaf het ogenblik dat de Godmens in de heerlijkheid van zijn Vader binnenging, begon Hij naarmate zijn mensheid zich meer van ons verwijderde ons door zijn Godheid meer nabij te zijn. Was Jezus tijdens zijn aardse leven gebonden aan het Joodse land en aan de mensen die Hij lichamelijk ontmoette, nu Hij de heerlijkheid van zijn Vader is binnengegaan is Hij evenmin als God ergens,aan plaats of tijd gebonden.. Als Hij ver weg lijkt komt dat door onze begrensde manier van zien. In werkelijkheid is Hij aanwezig evenals God vanaf het begin van de were1d aanwezig is en zichzelf tegenover zijn volk Israël Jahweh noemt, Ik-ben-bij-jullie. Zo zegt zegt Jezus: zie Ik ben met U alle dagen tot aan de voleinding van de wereld. Maar alleen de ogen van het geloof kunnen Hem zien. We kunnen Hem zien in de kerk die zijn Lichaam is en waarvan Hij het hoofd is. We horen Hem spreken overal waar in Naam van de Kerk het evangelie wordt verkondigd. We herkennen zijn aanwezigheid in de heilige Geest, die mensen tot onvermoede dingen kan inspireren. We herkennen Hem in de heiligen. En niet op de laatste plaats is Hij nabij in het sacrament van het altaar, waarin wij Hem in de gedaanten van brood en wijn door het geloof met zijn volle godheid en mensheid aanwezig weten. Hij roept ons op tot geloof in Hem, tot overgave aan Hem, opdat wij ons door zijn goddelijke aanwezigheid laten sterken op onze weg: naar de toekomst waar Hij ons op deze dag is voorgegaan als eerstgeborene van een .nieuwe schepping. Amen.
Hemelvaart des Heren
Bij:Hand. 1, 1-11
Ef. 1, 17-23
Mt. 28, 16-20
PREKEN
paaskring
jaar a