Veel mensen hebben in onze tijd moeite met God. We leven in een wereld en in een cultuur waarin het zicht­bare, het tastbare, het grijpbare de eerste aan­dacht heeft. Die dingen - we weten dat ze voorbijgaan - zijn toch zo verleide­lijk, dat we daar de meeste en soms alle tijd aan geven. Het geestelijke komt er daarbij meestal heel bekaaid af. We nemen geen tijd voor naden­ken en meditatie, laat staan voor gebed. We zeggen gemakke­lijk: och, over God, over een leven na de dood; daar weten we toch niks zeker van, iedereen denkt daar het zijne van. En heel vaak voegen ze er dan aan toe: maar ik geloof wel dat er iets is, hoor. Maar dat iets speelt geen enkele rol in hun leven. Ze leven alleen voor het tastbare en grijpbare. Hoogstens als ze in de penarie zitten, krijgt dat iets de schuld of moet plotseling de zaak oplossen. Is dan God zo­maar een iets waar je verder niet veel over kunt zeggen, een hogere macht, die je hele tijden kunt negeren en dan weer eens aanroepen. Is God een soort centrale verwarming voor je leven, die je in de zomer van je leven niet nodig hebt, maar die je in de winter, als het koud en guur wordt weer aanschakelt om dan te ontdekken, dat hij niet meteen de gewenste temperatuur geeft? Is God soms met kerstmis ook zo iets: licht en kaarsen, stille nacht en een fijn gevoel om dan, als de kerstboom weer de deur uit is over te gaan tot de orde van de dag zonder God?
Zo'n God, daar heb je niks is. Dat is niemand. Dat is iets wat de gaatjes vult in het leven van een materia­listische mens. Zo'n  god kan je niet redden in ziekte pijn, eenzaamheid. Zo'n god, zo'n iets kan je zeker niet redden van de dood. De God van de bijbel, de God van kerstmis is een totaal andere God. Hij is een mysterieuze, oneindig verheven werkelijkheid, die de oorsprong is van alles. Hij is niet iets, maar Iemand, hoe onvoorstel­baar verheven boven al het zichtbare dan ook. Hij is Iemand, omdat Hij vanuit zijn hoogverhe­ven hemel contact met ons wil. God staat naar ons toegewend. Hij spreekt tot ons vanaf het begin. Hij richt het Woord tot ons. Maar om Gods verheven woord te kunnen opvangen moet je wel goed kun­nen luisteren. Daarom maakte Hij van oudsher gebruik van begena­digde mensen: de profeten. Eertijds sprak God vele malen en op velerlei wijzen tot ons door de profeten, zegt de Hebreeënbrief. Door zijn Woord laat Hij zich in de geschiedenis van het Oude Testament langzaam kennen. Steeds meer weten wij wie God is en wat Hij met ons voor heeft. Dat Goddelijk Woord, die toewending tot de mensen, waardoor ook alles geschapen (en Gods sprak, er moet licht zijn en het licht was er) is het licht voor de mensen. Dat Goddelijk Woord ver­licht het pad van de mens. Door dat woord van God weet hij waar hij vandaan komt, wat zijn levens­weg en zijn doel is. God roept de mens op dat licht van zijn Woord te aanvaarden, Hij dwingt niet. God die zich naar de mens toewendt, vraagt van de mens een ant­woord. En de evangelist Johannes consta­teert dat velen het licht van het Woord niet aanvaarden: maar de duisternis nam het niet aan. En dan gaat God nog een stap verder in zijn toewending, in zijn spreken: en het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond. Niet langer spreekt God door begena­digde mensen, door profeten; nee, zijn woord wordt vlees; Hij wendt zichzelf in menselijke gestalte tot de mensen. Gods Zoon komt tot ons in het vlees. Wie God wil kennen, wie het licht van God in zijn leven wil laten stralen, kan zich nu wenden tot een zichtbare mens, Jezus Christus. Dat is het geheim van Kerstmis: we kunnen God kennen in zijn mens geworden Woord Jezus Christus; zijn leven, zijn preken, zijn lijden en sterven doen ons haarfijn God kennen. De eniggeboren God, die in de schoot van de Vader is, Hij heeft ons God doen kennen, zegt Johannes.
Maar ook nu, als God zover gaat; als Hij mens geworden zelf zijn licht laat stralen, wordt Hij niet algemeen aanvaard. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aan­vaardden Hem niet. Er blijft voor de mens de mogelijk­heid te kiezen voor zichzelf en voor de machten van de duisternis. Dat is blijkbaar aantrekkelijk, want dan hoef je alleen maar rekening te houden met jezelf. Je kunt het licht van Christus afwijzen, maar dan kom je niet bij God, dan kom je niet over de dood heen. Alleen zij die Hem aanvaarden, hebben de mogelijkheid kinderen van God te worden door het doopsel, door een chris­telijk leven binnen de gemeenschap van de Kerk; door eer te brengen aan God, die ze kennen in Christus, door een godvruchtig, vroom en lief­devol leven in gemeen­schap met Christus, die in ons midden blijft door zijn katholieke en apostolische Kerk die Hij gesticht heeft en die zijn Woord verkondigt en zijn Heil aan de mensen meedeelt door de sacramenten. Kerstmis is een keuze voor Jezus Christus in wie wij God kunnen kennen; is een keuze voor een heel bepaalde manier van leven, die Hij ons door zijn Kerk voorhoudt. Alleen in die voort­durende geloofskeuze, die je leven verandert en richt­ing geeft, kun je vrede vinden en de ware God ontmoe­ten. Die voortdurende Godsont­moeting, die waarachtige vrede wens ik u toe. Een zalig kerstfeest.
KERSTMIS DAGMIS
bij: Jes. 52, 7-10
Hebr. 1, 1-6
Joh. 1,  1-18
Jaar B