
In deze heilige paasnacht vieren wij, broeders en zusters, het geheim van ons geloof als christenmensen, de kracht van waaruit wij leven. En die kracht is Christus, gestorven voor onze zonden en opgestaan om ons voor God rechtvaardig te maken.
Immers uit onszelf hebben wij geen toekomst; wij zijn gevangen in deze wereld, gevangen in pijn en verdriet, gevangen in dood en zonde. Uit onszelf zijn wij slaven van zonde en dood, zegt de Bijbel. Wij kunnen onszelf niet redden. En het bewijs daarvoor is dat wijzelf niet over de dood heen kunnen springen. In die zin lijken we op het Joods volk in Egypte, gevangen in de macht van farao, ver vvan het beloofde land. Uit onszelf leven we in het donker, het donker van goede vrijdag, dat we mochten voelen toen we vanavond de kerk binnenkwamen.
De vreugde van deze nacht is, dat God ons niet in het donker gelaten heeft. Zoals Hij eertijds het Joodse volk onder leiding van Mozes uit het slavenhuis van Egypte geleid, dwars door het water van de Rode Zee naar het beloofde land, zo leidt Hij ons nu onder leiding van de nieuwe Mozes Jezus Christus naar het beloofde land van de hemel dwars door het water van de dood. Immers als enige van de mensen, als eerstgeborene van een nieuwe schepping heeft Christus het lijden en dood overwonnen en is door zijn verrijzenis het beloofde land bij God binnengegaan. In Hem is er verlossing, in Hem is er licht in de duisternis van ons bestaan. Hij, de verrezen Heer, is het licht dat de wereld verlicht en wij allen die in Hem geloven mogen van zijn licht ontvangen. Voor ons, die Hem kennen, straalt het licht van zijn verrijzenis, ook als het donker wordt in ons leven, als pijn en verdriet, ja zelfs als de dood ons treft. Hij, die dit alles overwonnen heeft, is ons licht, want we weten het, door Hem en met Hem en in Hem kunnen wij het donker van ons leven overwinnen en leven in het licht van het geloof en eenmaal, als wij in Hem gestorven zijn, het eeuwige licht van God te aanschouwen.
Aan dat licht hebben we deel gekregen door ons geloof en ons doopsel. Immers in het water van de doop zijn onze zonden, waarop de vloek van de dood rustte, afgewassen, zijn we in de kracht van Christus' verrijzenis kinderen van God geworden en hebben we het eeuwig leven in ons.
In deze nacht van Pasen danken we de Heer, dat Hij ons door zijn dood en verrijzenis verlost heeft en dat wij aan die verlossing deelhebben door ons doopsel. Door het doopsel horen we bij Hem en hebben we beloofd en ons verplicht in gemeenschap met Hem en zijn Kerk te leven overeenkomstig zijn geboden. Zo immers, door zijn Kerk blijven wij als gedoopten bij de verrezen Heer en blijft de Heer leven in ons door het Woord, dat de Kerk in zijn Naam spreekt en dat wij metterdaad aanvaarden, én door de sacramenten van de verlossing, die Hij ons door de Kerk schenkt en waardoor Hij ons met zijn licht en genade blijft sterken op onze weg naar het licht.
Daarom is deze nacht van de verrijzenis ook de nacht waarin wij ons doopsel herdenken, waardoor wij het leven en het licht ontvingen; de nacht waarin wij onze doopbeloften en onze trouw aan de Kerk van Christus hernieuwen. De nacht ook waarin wij ons voornemen meer en duidelijker te leven vanuit de heilige Geest, die ons in het doopsel geschonken is en in het vormsel bevestigd.
Dit alles wordt bezegeld door de viering van de eucharistie, waarin de levende Heer de leden van zijn Kerk telkens bijeenroept om bij Hem te zijn, om zijn verlost volk op aarde te zijn, om zijn dood en verrijzenis te gedenken en het leven dat in hen is door het doopsel te voeden met het Brood des Levens, dat Hij zelf is.
Laten we ons in deze heilige nacht meer van ons geloof bewust worden; meer bewust van de genade van de verlossing. En laten we ons voornemen meer consequent vanuit dat geloof te gaan leven. Dan zal ons dit paasfeest zalig zijn, hetgeen ik u en mijzelf van harte toewens. Amen.



PAASWAKE C
Bij: Gen. 1, 26-31a
Ex.14, 15-15, 1
Ez. 36, 16-17a.18-28
Rom. 6, 3-11
Lc 24, 1-12
PREKEN
paaskring
jaar c