Het christelijk leven is een voortdurende strijd, een geestelijke strijd. In die strijd zijn twee partijen. Eenvoudig gezegd: de partij van God en de partij tegen God. Die partijen hebben in de bijbel verschillende namen. De partij tegen God noemt de evangelist Johannes altijd "de wereld". En dan bedoelt hij de wereld die God niet kent en met God geen rekening houdt. Zo horen we vandaag in het evangelie over "de Geest van de waarheid voor wie de wereld niet ontvankelijk is". De andere evangelisten hebben het meestal over "het rijk van de duivel" of het "rijk van de vorst van deze wereld". De apostel Paulus heeft het over het "vlees" en hij bedoelt daarmee de mens en de wereld met zijn tomeloze begeerten en passies. Maar Paulus heeft het ook over "de oude Adam" van dood en zonde. Het zijn allemaal namen voor het anti-goddelijke in deze wereld waar wij mee te maken hebben, dat verleidelijk is en dat ons tracht te beheersen.
Daartegenover staat bij de drie synoptische evangelies: het rijk van God, dat Christus is komen brengen. Johannes spreekt dan over "het eeuwig leven dat je in je hebt als je in Jezus gelooft. Paulus spreekt over leven als geestelijke mensen of leven in de nieuwe Adam, Christus.
Als je christen bent, dan ben je in het doopsel herboren uit water en Geest, dan ben je een nieuwe mens, opgenomen in de nieuwe Adam Christus, dan ben je kind van God, dan ben je opgenomen in het Rijk van God, dan heb je het eeuwig leven in je. Je bent verlost uit de oude mens, ontrukt aan de doem van de zonde en de dood, ontrukt aan het rijk van de vorst van deze wereld.
Maar dan heb je nog een leven voor je hier op aarde waarin je strijd moet leveren om waar te maken wat je in het doopsel ontvangen hebt. Want, zegt Jezus zelf, "jullie zijn weliswaar niet van de wereld, maar jullie zijn wel in de wereld". De wereld met zijn begeerten, met zijn verlokkingen, met zijn God-vijandige machten trekt nog steeds aan ons. Daar zijn we niet immuun voor. Hoewel we de Geest ontvangen hebben, zijn we nog steeds in het vlees en dat merken we. Dat vlees trekt aan ons. De bekoringen van het kwaad zijn er nog steeds.
De apostel Paulus vergelijkt daarom de christen met de topsporter. Een topsporter ontzegt zich van alles en traint zich tot het uiterste om het kampioenschap te behalen. En dat is nog maar een vergankelijk kampioenschap, zegt Paulus. Christenen kunnen een onvergankelijk kampioenschap behalen, namelijk het eeuwig leven. Maar dan moeten ze zich net als die topsporter in spannen. Ze moeten zich de dingen ontzeggen die van het doel afvoeren, niet toegeven aan begeerten tot zonden. Ze moeten zich steeds weer trainen in het echte godsdienstige leven dat opofferingen vraagt. Want het gaat om het kampioenschap van het eeuwig leven.
Het lijkt er in onze tijd wel eens op, dat veel christenen, ook misschien wijzelf wel eens, die geestelijke strijd hebben opgegeven. Dat we ons te veel aanpassen aan de wereld. Dat we niet vechten voor de geestelijke idealen, maar toegeven aan het gemak en aan de zonde, die we dan maar liever geen zonde meer noemen. We denken misschien te lichtvaardig, dat we ondanks wat we doen en wat we niet doen, het eeuwig leven zullen verwerven. Nou geef ik direct toe, dat het tegenwoordig veel moeilijker is, nu niet meer iedereen gezamenlijk die strijd levert. We worden niet meer gesteund door een gemeenschap, die vroeger zei: dat kun je toch niet maken. Integendeel, de gemeenschap zegt nu vaak: je bent gek als dat of dat, wat volgens het christelijk geloof slecht en zondig is, niet doet. Is die strijd dan onmogelijk? Neen. We hebben immers een Goddelijke strijdmakker, die ons door Christus zelf geschonken is: de heilige Geest. We hoorden in het evangelie, dat Jezus zei: "Ik zal u niet verweesd achterlaten. De Vader zal u op mijn gebed een Helper geven: de Geest van de waarheid, voor wie de wereld niet ontvankelijk is." En we zien in de eerste lezing hoe Petrus en Johannes in Samaria aan de pasgedoopten die heilige Geest meedelen door handoplegging en gebed. Zo hebben ook wij in doopsel en vormsel de kracht van de heilige Geest ontvangen, die klaar staat om ons te steunen in onze strijd. Die heilige Geest helpt ons, als we ons voor Hem openstellen en als we ons door Hem laten bewegen. Hoe kan die heilige Geest in ons werken? Allereerst moeten we om Hem bidden. Zonder voortdurend gebed kan de heilige Geest geen toegang tot ons leven krijgen. Ten tweede moeten we ons afkeren van de leugen van de wereld en ons richten op Gods waarheid, immers de heilige Geest is een geest van waarheid. En die waarheid is in ons midden aanwezig in het Woord Gods zoals het door de Kerk verkondigd en geleerd wordt. De heilige Geest die wij ontvangen hebben is allereerst de Geest, die aan de Kerk als geheel geschonken is en binnen die kerk aan de afzonderlijke gelovigen. Leven in en met de Kerk, sacramenteel leven, eucharistievieren met name, en je sacramenteel verzoenen als dat nodig is, is een voorwaarde voor het leven in de Geest. Als je dat doet strijdt Hij met je mee de geestelijke strijd om te blijven in de liefde God, die is in Jezus Christus, en het eeuwig leven te verwerven. Amen.


Zesde zondag van Pasen
Bij: Hand. 8, 5-8.14-17
1 Petr. 3, 15-18
Joh. 14, 15-21
PREKEN
paaskring
jaar a