Als wij elkaar een serieuze belofte doen, zeggen we wel eens tegen de ander: "Echt, joh, je kunt erop vertrouwen; mijn kop d'er af, als het niet gebeurt!" En soms maken we bij die woorden nog een veel­zeggend gebaar. Wij zeggen dat natuurlijk maar bij wijze van spre­ken. De volkeren van het oude Oosten zo'n 2000 jaar voor Christus waren wat dat betreft veel realistischer. Als twee partijen het met elkaar eens waren geworden over iets belangrijks, dan slachtten ze een paar dieren. Ze sneden de dieren in stukken en legden ze tegen­over elkaar. Vervolgens liepen de contracterende partijen midden tussen die stukken dood. Ze wezen naar de dode dieren en zeiden tegen elkaar: "Dat mag God met mij doen en nog erger, als ik mij niet houdt aan de afspraak." Wij zouden zeggen: "Mijn kop d'er af als het niet gebeurt."
We treffen in de eerste lezing Abraham aan met zijn angsten en zijn twijfels. Hij is uit zijn land weggegaan op Gods woord. Nu is hij in een vreemd land, Kanaän. Daar wil hij vaste voet krijgen, een gezin stichten. Maar het schijnt niet te lukken. Hij is op zijn oude dag nog kinderloos. En dan verschijnt God, in een droom, in een visioen, als een vurige fakkel. Hij gaat tussen de rauwe stukken vlees door. Hij bindt zich door vlees en bloed aan Abraham; een verbond, duidelij­ker kan het niet. Een zo drastische uiting van Gods trouw aan de mensen door vlees en bloed komen we pas weer tegen op Golgota, bij de sluiting van het nieuwe verbond met alle mensen in het Li­chaam en Bloed van Christus. God geeft hier Abraham een handslag op de manier van het oude Oosten. Maar het is maar een visioen en als dat voorbij is, heeft Abraham niets anders om zich aan vast te klampen. Hij moet zich vasthouden aan de herinnering aan de fijne ogenblikken van het visioen dat hij zeker wist dat God hem trouw zou zijn. Met dat geloof staat Abraham dan weer alleen in een vreemd land waarin mensen wonen die lachen om zijn dromen, en vooralsnog zonder kinderen.
Zo hopeloos eenzaam als Abraham zich gevoeld heeft; zo verdrietig als wij ons wel eens voelen, wanneer we een zware tegenslag moeten verwerken, zo alleen moet ook Jezus geweest zijn in de laatste weken voor zijn lijden en dood. Jezus is onderweg naar Jeruzalem. Hij weet dat het zijn laatste tocht is. Jezus gaat zijn weg, zoals een zieke door het leven gaat vanaf het ogenblik dat de dokto­ren hem hebben verteld, dat zijn ziekte ongeneeslijk is. Hij heeft niet lang meer te leven. Hij moet zijn weg gaan, alleen. Niemand kan helemaal met hem meevoelen, omdat niemand de laatste reis werke­lijk kan meemaken. En net zoals iedere gelovige doet in dergelijke omstandigheden: Jezus trekt zich terug om na te denken en te bidden. Drie van zijn meest intieme vrienden mogen mee; het zijn dezelfde die hij enkele weken later mee zal nemen in de hof van Olijven om zijn doodsangst biddend te delen. Waarom eigenlijk bidden in dergelijke omstandigheden? Verandert er door het bidden iets aan de situatie waarin je verkeert. Zou Jezus op grond van zijn bidden niet hoeven te lijden? Nee, de kruisweg van Jezus wordt niet omgebogen. Maar Hij krijgt letterlijk kracht naar kruis. Al biddend wordt Hem stralend duidelijk, hoe heel het oude testament, heel de wet en de profeten, nu samenkomen in zijn levenslot. Dezelfde God die zijn woord gehouden heeft tegenover Abram; dezelfde God die steeds zijn volk erdoorheen hielp; dezelfde God zal nu ook Hem erdoorheen helpen. De heerlijkheid van de belofte, die hier op de Tabor tijdens het bidden verschijnt, is zo groot en overweldigend, dat de vrienden al willen blijven. Maar dat kan niet. Ze moeten nog naar Jeruzalem gaan. Het gebed van Jezus en het visioen van de verheer­lijking hielpen Jezus niet uit de moeilijkheden. Het hielp Hem wel door de moeilijkheden heen.
Bij ons zal het vaak ook zo zijn. Wanneer je verdriet hebt, omdat je man plotseling is overleden, krijg je door gebed je man niet terug. Maar het gebed helpt je wel door de moeilijkheden heen. Iedereen komt in zijn leven voor situaties te staan die uitzichtloos lijken. Je kunt je dan inkapselen in die uitzichtloosheid, in dat verdriet. Je kunt jezelf opsluiten in doffe wanhoop. Maar de boodschap van de liturgie van deze zondag is: wend je tot God; je kunt erdoorheen komen in gebed, op de manier waarop Jezus dat deed; want God houdt zich ook tegenover jou aan zijn woord. Ook voor jou wordt het Pasen, als je in vertrouwen het verbond met God bewaart. Gods belofte is immers bezegeld in het vlees en bloed van zijn eigen Zoon. Dat mogen we hier telkens vieren in de eucharistie. Het leven is niet altijd gemakkelijk, maar God geeft je toekomst. Hij is de God van het verbond. Hij maakt zijn belofte waar, als wij in geloof aan Hem vasthouden, zoals Abraham, zoals Jezus. Amen.
2DE ZONDAG VEERTIGDAGENTIJD C
Bij: Gen. 15, 5-12.17-18
Fil. 3, 17-4, 1
Lc 9, 28b-36
PREKEN
paaskring
jaar c