
Vandaag in de liturgie twee bekoringsverhalen: eerst uit het boek Genesis over de schepping en de bekoring van de mens. En daarna in het Matteüsevangelie het verhaal van de bekoring van Jezus in de woestijn. De eerste bladzijden van de bijbel vertellen over het begin van de wereld en de mensheid. Het is geen natuurwetenschappelijk rapport. Het is een geloofsgetuigenis over wie en hoe de mens is in zijn verhouding tot God. Wie is deze mens die God uit aarde boetseerde en bij wie Hij de levensadem in de neus blies. Adam wordt hij genoemd. Dat betekent: mens-uit-aarde-gemaakt. Aarde, stof doet in dit verband denken aan nietigheid, verval, vergankelijkheid. In deze naam wordt minder onze betrokkenheid op de aarde uitgedrukt dan wel onze afstand van God, die volmaakt en eeuwig is. Nog duidelijker wordt onze afhankelijkheid van God onderstreept doordat God Adam beademt. Het bestaan van de mens is volledig van God afhankelijk. Adam is niet zozeer een historische persoon uit het verleden. Iedere mens die leeft is Adam. Via ontvangenis en geboorte komen wij voort uit de scheppende hand van God. Hij wil mij, u, ons allemaal. Hij wil ieder van ons heel persoonlijk. Ieder schepsel verwijst naar de Schepper. God wil, dat wij voor Hem open blijven staan. “Want Gij hebt ons geschapen voor U, en rusteloos is ons hart totdat het zijn rust heeft in U”, schrijft Augustinus in zijn Belijdenissen. De mens leeft op de aarde. Hij is een stuk van de schepping. Planten en dieren omgeven hem. Hij moet de aarde bewerken en bebouwen. "Eden", een paradijs noemt de bijbel de aarde. In dit paradijs ontbreekt hem niets. Hij is dicht bij God en bij de andere dingen. Alles op aarde is er voor Adam, de mens. Hij kan over alles beschikken, alleen niet over God. Die ontrekt zich te allen tijde aan het menselijk inzicht. Hij blijft ondanks zijn nabijheid voor de mens een absoluut mysterie dat hij niet kan doorgronden. Teken daarvoor is de boom, waarvan de vruchten voor de mens verboden zijn. God ontrekt zich aan de mens voor diens eigen bestwil. Wie naar Hem grijpt, vergrijpt zich, verbrandt zich de vingers. Wie God wil zien, wordt blind, zegt heel het oude testament. De kennis van goed en kwaad hoort bij de goddelijke sfeer. De kennis van goed en kwaad overstijgt het menselijk kunnen. Het zou hem maar ongelukkig maken. Maar de bekoring voor de mens is groot. Hij wil niet afhankelijk zijn van God, Gods onbegrijpelijkheid niet aanvaarden. De greep naar de vrucht is de greep naar de macht. Intussen hebben we kennis van goed en kwaad. We zijn daardoor niet slimmer en niet gelukkiger geworden: .In tegendeel: de aarde draagt dorens en distels. Tranen en dood zijn kenmerken van ons leven. We lijden onder tegenstellingen. Goed en kwaad strijden in ons hart om de voorrang. Er is een breuk tussen God en mens. De mens staat naakt en onverzoend tegenover zijn Schepper en tegenover zijn medemens. We hebben te hoog gegrepen. En de gevolgen zijn overal om ons heen in het.leven steeds opnieuw Zo is de zondeval een voortdurende gebeurtenis in deze wereld en de gevolgen zijn verschrikkelijker naarmate de mensheid steeds meer vasthoudt aan de belofte van de slang: gij zult als God zijn. Onze grote zonde en de bron van alle kwaad in de wereld zijn: dat wij aan God gelijk willen zijn, onze afhankelijkheid ontkennen. We willen onze eigen heer en meester zijn. We willen ons leven op eigen kracht en naar eigen inzicht gestalte geven. We willen de wereld onafhankelijk maken van de lastige invloed die God daar met zijn geboden op wil uitoefenen. De grote zonde is de emancipatie van de mens ten opzichte van God, waarin hij vergeet adam, mens van aarde te zijn. Als Jezus komt om het oorspronkelijke paradijs weer te herstellen voor de mens, als Hij komt om de mens uit zijn zonde te verlossen, dan zien we dat Hij aan dezelfde bekoringen bloot staat als wij. De bekoringen in de woestijn mogen we zien als een samenvatting van alle bekoringen die op Jezus afkomen tijdens zijn.aardse optreden. Ook Hij was in de verleiding aardse macht te grijpen. Dat was makkelijker dan de wil van God te doen. Maar Jezus weerstaat de bekoring om tegenover God de macht te grijpen. Hij handelt nooit vanuit zijn eigen wil. Hij handelt alleen vanuit de wil van de Vader. Zijn leven wordt getekend door een voortdurende gehoorzaamheid aan de Vader. Zo onderging Hij ook zijn lijden: niet mijn wil maar uw wil geschiede. Willen wij deelhebben aan de verlossing, dan zullen ook wij steeds meer de weg van Jezus moeten.volgen, openstaan voor de wil van God, ook al kost dat moeite en pijn, kost dat weerstaan aan bekoringen, die hevig kunnen zijn. Moge deze veertigdagentijd ons opnieuw openen voor de wil van God, moge deze vastentijd ons brengen tot grotere gehoorzaamheid aan zijn geboden, zodat we met Pasen kunnen delen in de vruchten van de verlossing. Amen.
Eerste zondag in de Veertigdagentijd
Bij: Gen. 2, 7-9; 3, 1-7
Rom. 5, 12-19
Mt. 4, 1-11
PREKEN
paaskring
jaar a