Niemand zal ontkennen, dat de macht van het kwade groot is in de wereld. Daar hoeven we de krant maar voor open te slaan of de televisie aan te zetten. En veel mensen verzuchten daarbij: hoe kan God dat allemaal toelaten. Het merkwaardige daarbij is overigens wel, dat de meeste mensen het kwaad in zichzelf steeds minder zien. Het kwaad en de schuld ligt meestal bij andere mensen. En als het al eens een keer bij mezelf ligt, dan zijn er zoveel verontschuldi­gingen aan te voeren, dat ik moet consta­teren dat ik er eigenlijk niet veel aan kon doen. Het is misschien een reactie op een verleden waarin veel mensen angstvallig leefden omdat ze in de kleinste dingen grote zonde zagen. Dat was niet altijd gezond en leverde soms scrupulanten op, die geen enkel oog meer hadden voor de barmharti­ge God. Maar in die reactie zijn we dan wel van de regen in de drup geraakt. Het zonde-bewust­zijn lijkt bij veel mensen verreweg verdwe­nen. Dat merk je ook aan terugloop van het sacra­ment van de biecht en de deelname aan de boetevierin­gen. Zelfs op een sterfbed vinden het veel mensen niet meer nodig om te biechten. Een plotselinge dood zonder je daarop voor te kunnen bereiden door berouw en biecht vinden de meeste mensen in ideaal. Dat is totaal tegengesteld aan wat de Kerk eeuwen gebeden heeft in de litanie van alle heiligen: a subitanea et improvisa morte libera nos, Domine. (Van een plotselinge en onvoorziene dood verlos ons, Heer)
In dat klimaat lijkt ook de veertigdagentijd zijn grootste betekenis te verliezen. Het is namelijk een tijd van boete en herstel, een tijd van bekering en je opnieuw richten op Gods geboden. Dan verliest eigen­lijk ook het kruis zijn zin. Immers Christus is gestorven voor onze zonde, uw en mijn zonde, waardoor we van God gescheiden waren, en steeds opnieuw dreigen te worden. Hij alleen kan daar verge­ving voor bewerken en verzoening. En Hij doet dat door de tijden heen door de sacramentele bediening van de Kerk, door doopsel en biecht. Als we de Kerk en de sacramenten niet nodig hebben, waarvoor is Christus dan gestorven? Voor onze zon­den die we niet doen? Dan maken we God tot een leugenaar, zegt St. Jan. Ik denk dat we zouden moeten beginnen met de zonde, ook in ons eigen leven serieus te nemen. Ons geweten zorgvuldig te ijken aan wat het evangelie en de Kerk ons leren omtrent goed en kwaad. Gewetens­vol leven, dat betekent niet angstvallig leven. Want er is bij God altijd vergeving, als wij spijt hebben. Maar als je eigen zondigheid niet accepteert, dan dood je langza­merhand je geweten. Het spreekt niet meer en je vervalt in zelfge­noegzaamheid, die meent zich tegenover God te kunnen recht­vaardi­gen zonder berouw en bekering. Laten we anders maar eens naar Jezus kijken. Hij ervaart als mens heel duide­lijk de macht en de verleiding van het kwaad. Satan probeert ook bij Jezus net als hij doet bij iedere mens, bij u en mij, God uit het middelpunt te laten verdwijnen en te zorgen dat je jezelf in het middelpunt plaatst. Hij doet dat altijd op een geraffineerde manier. Hij liegt zelfs niet. Hij verkondigt hoogstens halve waarhe­den. Als hij tegen mij zegt: "je kunt dat gerust doen, je hebt toch een eigen geweten en trouwens zo velen doen het", dan liegt hij niet. Hij probeert alleen de echte waarheid - Gods gebod - listig te omzeilen. Daarom trappen we zo vaak in die bekoringen. Zo zegt hij ook tegen Jezus, die honger heeft: "als Gij de zoon van God zijt, maak dan van deze stenen brood". Daar is niets verkeerds aan, zou je zeggen. Jezus is toch de Zoon van God. Hij zou van die stenen brood kunnen ma­ken. Satan zegt met opzet niet: "als je mens bent.." Een mens kan van stenen geen brood maken. In honger en dorst ervaart hij juist zijn afhankelijkheid als schepsel. Maar juist om mens te zijn is Jezus in de wereld gezonden. Daarom gaat Jezus er niet op in. De wil van de Vader blijft bij Hem centraal staan, juist ook als mens: "de mens leeft niet van brood alleen, maar van alles wat uit de mond van God voortkomt." De tweede bekoring is waar alle mensen aan bloot staan: de bekoring van afgoderij: God als middelpunt van je leven vervan­gen door eer, macht en aanzien, geld of goederen. Wat de meeste mensen zeggen om zich te verontschuldigen dat ze zondags niet naar de kerk gaan of dat ze maar weinig bidden: ik heb het te druk met andere dingen. Dat is de zuiverste vorm van afgoderij. Men offert op andere altaren dan op het altaar van God. Ook Jezus had gemakke­lijk de leider van een joodse volksopstand kunnen worden, koning van de Joden, bepaald aantrekkelijker voor een mens dan te sterven op een kruis. Jezus weigert: God gehoorza­men, Hem aanbidden is het allereerste. Zouden wij niet bekoord worden waardoor Jezus bekoord werd. Na­tuurlijk wel. Het enige verschil is, dat wij er gemakkelijker op in aan. Wij kiezen lang niet zo radicaal voor God en de mede­mens als Jezus. Daarom hebben wij deze vastentijd nodig, om met de nodige inspanning God en zijn geboden weer de centrale plaats te geven die ze toekomen. Boete te doen voor de dingen die we fout deden en daar vergeving voor te vragen: berouw en vergeving, soberder leven, de afgoden van voedsel, geld, genot uitbannen; gebed en sacramen­teel leven weer centraal te stellen en meer solidair zijn met de naaste; daar tijd en geld voor vrijmaken. Misschien is de grootste bekoring in onze tijd wel, en de meest slimme en succesvol­le bekoring van satan wel: "maak je niet druk, je doet geen kwaad, God is al lang tevreden met jou!" Laten we daar niet intrap­pen. Amen.
1STE ZONDAG VEERTIGDAGENTIJD C
Bij: Deut. 26, 4-10
Rom. 10, 8-13
Lc 4, 1-13
PREKEN
paaskring
jaar c