
De leerlingen willen er nog wel aan, dat Jezus de Messias is, maar dat het lijden de weg is, is voor hen onvoorstelbaar. In het stuk evangelie, voorafgaande aan wat we vandaag gelezen hebben, horen we Petrus plechtig van Jezus belijden: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God". En Jezus bevestigt die belijdenis van Petrus en zegt dat Hij op Petrus en de steenrots van deze belijdenis de Kerk zal bouwen en Hij belooft Petrus de sleutels van het koninkrijk. Maar als Jezus dan meteen na deze plechtige verklaringen gaat uitleggen dat de Christus in Jeruzalem zal moeten lijden en sterven, dan protesteert Petrus en zegt: "Dat nooit, Heer, zoiets mag U niet overkomen".
En nu vandaag zien we de stralende Messias, de stralende Zoon Gods boven op de berg. Hij onderhoudt zich met Mozes en Elia, die wet en de profeten, dus heel het oude testament vertegenwoordigen. En waarover spreekt de verheerlijkte Christus met de vertegenwoordigers van het oude testament? Matteüs zegt daar niets over. Maar het ligt voor de hand dat zij spraken over Jezus als de voltooiing van het oude testament, als de vervulling van de belofte waar heel het oude testament naar uitzag. En Lukas vermeldt het uitdrukkelijk bij zijn verslag van de gedaanteverandering: “zij spraken over zijn heengaan dat zich in Jeruzalem zou gaan vertrekken”. Ze spraken over de lijdende Messias, die dwars door het lijden de stralende heerlijkheid, die op de berg al zichtbaar werd zou bereiken. Maar ook hier weer willen de leerlingen het niet verstaan: het enige wat ze willen aanvaarden en vasthouden is de heerlijkheid, die daar op de berg oplicht. "Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan." Ze luisteren langs het lijden heen. Want ze willen het lijden van Jezus niet; ze willen een lijdende Messias eigenlijk niet aanvaarden. En als het lijden dan ook feitelijk komt, zijn ze allemaal verdwenen, haken ze af. De Emmausgangers verwoorden de gevoelens van de leerlingen: "Wij hadden gehoopt, dat Hij het was die Israël zou verlossen; we hadden gehoopt dat Hij de Christus zou zijn, maar met dat al is het nu reeds de derde dag sinds zijn lijden en dood." Het is pas de verrezen Heer, die hen duidelijk maakt zoals aan de Emmausgangers: "Moest de Christus dit alles niet lijden om zijn glorie binnen te gaan en te beginnen met Mozes en al de profeten, verklaarde Hij hun wat in heel de Schrift over Hem was voorspeld."
Wij zijn eigenlijk niet veel anders dan de leerlingen. Ook wij willen eigenlijk niet weten van lijden en dood. Als wij het hebben over geloof in Jezus, dan verwachten we eigenlijk automatisch, dat Hij ons vrijwaart van lijden en pijn. Er zijn nogal wat mensen die zeggen, als hun iets ergs overkomt: "waaraan heb ik dat nou verdiend?" We vinden eigenlijk, dat lijden, pijn en verdriet er niet bij hoort, als wij ons best doen. Dat God ons daarvan moet bevrijden. Dan kan Jezus met meer recht nog dan tegen de Emmausgangers tegen ons zeggen: "o onverstandigen en tragen van hart, dat ge niet beter gelooft aan wat de evangeliën hebben gezegd. Er wordt ons immers geen rooskleurig leven voorgespiegeld. Als God zijn eigen Zoon niet voor het lijden behoed heeft, waarom zou het ons dan wel doen. Lijden is geen teken van Godverlatenheid. Integendeel Gods Zoon heeft ons laten zien dat het lijden de enige weg is naar de nieuwe wereld, naar het Rijk Gods. Het in geloof en vertrouwen aanvaarde lijden is de weg naar Pasen. En de enige reden voor het visioen op de berg is om de leerlingen te bemoedigen in het lijden, hen aan te sporen het geloof niet te verliezen als het lijden hen treft, te weten dat het lijden uitloopt op de verheerlijking. Vlak voor de gedaanteverandering zegt Jezus: "wie mijn volgeling wil zijn, moet zijn kruis opnemen en Mij volgen. Wie zijn leven wil redden zal het verliezen, maar zijn leven verliest om mijnentwil zal het redden." Alleen door lijden en sterven is Gods Zoon verlosser van de wereld geworden en in zijn heerlijkheid binnengegaan; zo ook moeten wij in het lijden ons leerling zijn bewijzen, en zullen we alleen door lijden in verenging met Hem gered worden. Moge het visioen op de berg, de verkondiging van Pasen ons tot kracht en steun zijn als het lijden ons treft. Om niet te zeggen: "waarom nou, God?", maar "in overgave aan en in vertrouwen op U, Heer". Amen.
Tweede zondag in de Veertigdagentijd
Bij: Gen. 12, 1-4a
2 Tim. 1, 8b-10
Mt. 17, 1-9
PREKEN
paaskring
jaar a