De aanleiding voor het diepzinnige gesprek tussen Jezus en de Samari­taanse is heel alledaags. Jezus heeft dorst en vraagt te drinken aan die vrouw die toevallig water komt halen bij de put.
Water is overal in het Oosten maar zeker in een droge streek zoals Samaria van levens­belang en er moet, zeker in Jezus' tijd nogal wat voor gedaan worden, om voldoende van dat water in de huizen te krijgen. Steeds weer opnieuw moest men naar de stadsput om water te halen om zijn dorst te kunnen lessen. Dat water halen en steeds dorst krijgen en weer moeten drinken is voor Jezus een symbool, een teken van mensen die jachtig en onverzadigbaar achter bepaalde behoeften aanzitten, die ze nooit kunnen bevredigen. Maar met een zekere verslaving rennen ze er achteraan, achter dat water waar ze steeds weer dorst van krijgen. Bij de Samaritaanse vrouw is dat blijkbaar de zucht naar een bepaald soort liefde: vijf mannen hebt ge gehad en die ge nu hebt is uw man niet. Het rennen van de ene relatie naar de andere; de ene man voldoet niet, dan maar een andere. Een ongelukkig soort leven, waarin je nooit echt geluk vindt. Bij anderen zullen het geen mannen zijn, maar is het de carrière; het mooie huis, steeds weer vakanties of er altijd maar jong willen blijven uitzien; het niet onder ogen willen zien dat je ouder wordt en steeds naar nieuwe middelen grijpen om het te ontkennen. Steeds opnieuw dorst krijgen, steeds opnieuw drinken.
Daartegenover zegt Jezus tegen de Samaritaanse: als je wist wie Ik was en als je begrip had van de gave Gods, dan zou je Mij te drinken vragen en Ik zou je levend water geven, waarvan je nooit meer dorst krijgt. Tegenover dat jachtige leven waarin mensen steeds weer nieuwe behoeften najagen stelt Jezus een goddelijke gave, die rust geeft. Die goddelijke gave, dat water zal in Hem een bron worden, die opborrelt tot eeuwig leven.
Wat is die gave die alleen Jezus kan geven, als we Hem er werkelijk om vragen: dat is de gave van het kindschap Gods en het eeuwig leven. Dat kindschap Gods en het eeuwig leven ontvangen wij door het water dat Jezus ons geeft, door het water van de doop. Door het doopsel worden wij kinderen van God en ontvangen we eeuwig leven. En als je werkelijk beseft wat dat betekent, dan hoef je eigenlijk nergens meer echt druk om te maken. Dan hoef je niet als gek achter voorlopige dingen aan te rennen. Als weet dat je kind van God bent en dat je bestemd bent om te leven in het eeuwig geluk, als je je hier als kind van God gedraagt; dan hoef je niet als een gek te proberen uit dit leven te halen wat erin zit; dan kun je rustig leven in harmonie met je naaste, in harmonie met God. Dan zul je tijd vrij maken voor die naaste, voor God. Dan zul je minder ten koste van die naaste en ten koste van Gods geboden je pleziertjes willen najagen. Dan is het de moeite waard jezelf op te offeren in een relatie; dan is het de moeite waard om te lijden, dan heeft zelfs sterven zin.
Je zult dan alles bezien in het kader van dat kindschap God, in het kader van dat eeuwig leven en je zult dan inzien, dat het onzinnig is jezelf af te jakkeren voor dingen die voorbijgaan. Zoals Jezus elders in het evangelie zegt: maak je toch niet druk over eten, drinken en kleren. Jullie hemelse vader weet wel dat je al die dingen nodig hebt. Zoek eerst het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid en al het andere zal u erbij gegeven worden.
We zijn op weg naar Pasen, op weg naar de jaarlijkse hernieuwing van onze doopbeloften in de Paasnacht. In deze boetetijd willen met meer ijver dan anders in praktijk brengen wat we krachtens ons doopsel zijn: kinderen van God. Willen we ons weer meer oriënteren op de gave Gods die in ons is en daar ons leven opnieuw op afstemmen. De bron die sinds ons doopsel in ons opborrelt tot eeuwig leven is misschien hier en daar verstopt geraakt doordat we ons te weinig op hebben gericht. Vandaar die jaarlijkse schoonmaakac­tie, die boetetijd waarin met overtuiging opnieuw zeggen: Heer, geef mij te drinken, geef mij uw Geest die levend maakt. Amen.
Derde zondag in de Veertigdagentijd
Bij: Ex. 17, 3-7
Rom. 5, 1-2.5-8
Joh. 4, 5-42
PREKEN
paaskring
jaar a