
In het evangelie van de blindgeborene wordt het woord blind in een dubbele betekenis gebruikt: allereerst gaat het over een man, die lichamelijk blind is vanaf zijn geboorte. Hij wordt door Jezus van die blindheid genezen. Daarnaast is er tegelijk sprake van een geestelijk niet kunnen zien, een geestelijk blind zijn. Met name daarvan wil Jezus mensen genezen. Het belangrijkste moment in het evangelie is dan ook niet, dat de man lichamelijk ziende van de Siloamvijver komt, maar als hij geestelijk ziende wordt op het einde van het evangelie, als de man zijn geloof in Jezus als de Messias betuigt: Toen zei hij: "Ik geloof, Heer". En hij wierp zich voor Hem neer. Daar gaat het om. De lichamelijke genezing is slechts het teken van een veel dieper gaande genezing die Jezus bij man voltrekt: hij kan voortaan zien wie Jezus is, wat Gods wil is, wat de weg is ten leven. En de Farizeeën die lichamelijk uitstekend kunnen zien, blijken geestelijk volmaakt blind te zijn. Ze kunnen en willen Jezus niet zien als de Messias, als de weg ten leven. Ze zien Hem als een sabbatschender, als een zondaar. Zij zijn de echte blinden.
Het verhaal van de genezing van de blindgeborene gaat door, door alle tijden heen. Talloze mensen die geestelijk blind waren, laten zich de ogen openen door Jezus, door de prediking van de Kerk. Ze zeggen met de grote gemeenschap van de Kerk "Ik geloof" en ze knielen voor Jezus neer, luisteren naar zijn Woord, proberen nauwgezet zijn weg te gaan.
Daarnaast zijn er mensen, die Jezus niet kennen, die zijn weg niet kennen of daaromtrent misverstanden hebben. Dat zijn ook vooral veel jongeren in deze tijd die van hun ouders geen enkele geloofsopvoeding hebben meegekregen. Zij zijn blind en zoekend, maar ze willen graag genezen worden. Zij wachten eigenlijk op iemand van de Kerk, misschien op ons, die namens Jezus hen met een getuigend woord de ogen opent, zodat ze Jezus gaan zien. Hier ligt een grote taak voor ons, christenen, om tegenover zoekende mensen op een verstandige en bewuste manier te getuigen van Jezus, zodat hij gaat zien en de weg ten leven vindt. Dat is de missionaire opdracht van ieder van ons.
Er zijn ook mensen, zo blijkt uit het evangelie, die denken dat ze het weten, maar in feite blind zijn: de Farizeeën. Die in eigengereidheid hun ogen sluiten voor Christus. Ook die zijn er in onze dagen velen. Zij zijn niet zoekend. Ze wijzen uitdrukkelijk Christus en zijn Kerk af als iets uit het verleden, als ultra-conservatief. Want ze willen hun eigen vrijgevochten wegen gaan, zelf bepalen hoe hun levensweg is, niet gehinderd door God. Zij willen hun eigen god zijn en roepen dus om het hardst dat er geen God bestaat of maken zich een god op eigen maat, die precies doet en wil wat zij willen. Ik wil in dit verband ook wijzen op een groep oudere christenen die in de jaren 60 en 70 meenden het licht te hebben gezien, die een heleboel van de die waarden van het geloof aan de kant hebben gezet en die nu nog steeds niet bereid zijn naar de Kerk te luisteren. Ze houden hardnekkig vast aan hun eigen waarden en blokeren daarmee een voortgang van de Kerk. Het zijn de mensen die zich verzetten tegen jonge priesters alleen omdat die doe wat ze moeten doen. Zij allen zijn de geestelijk blinden van onze tijd. En die blindheid is schuldig, zegt het evangelie: "als ge blind waart zoudt ge geen zonde hebben, maar nu gij zegt: wij zien, blijft uw zonde." Het is geen onwetendheid, het is onwil. Het is eigenlijk de oude oerzonde van het paradijs: hoogmoed, niet bereid zijn tot nederigheid. Het zelf wel willen uitmaken. Je ogen niet door God, door Christus willen laten openen, je niet door Hem de weg willen laten wijzen, omdat je liever je eigen weg gaat en aan God geen boodschap hebt. Dat is zondige verblindheid.
Als wij ziende willen zijn, Jezus willen zien als de weg ten leven, dan zullen we vooral nederig moeten zijn, ons verstand en onze wil moeten richten op Hem. Daartoe worden wij in het zicht van Pasen opgeroepen: ons nederig door Jezus en door zijn Kerk de weg te laten wijzen. Dat is niet altijd gemakkelijk. Maar zo worden wij de belofte van jezus waardig die zegt: "Ik ben het Licht der wereld: wie Mij volgt zal het levenslicht bezitten". Amen.
Vierde zondag in de Veertigdagentijd
Bij:1 Sam. 16, 1b.6-7.10-13a
Ef. 5, 8-14
Joh. 9, 1-41
PREKEN
paaskring
jaar a