We hebben er allemaal moeite mee, zusters en broeders, om in de praktijk van het leven wat het zwaarst is, ook het zwaarst te laten wegen. In theorie weten we het allemaal heel goed. Als je iemand vraagt: wat is het belangrijkste: je huwelijk en je gezinsleven of twee auto’s en een paar keer per jaar  op vakantie? Dan zegt iedereen natuurlijk je huwelijk, je gezin. Maar je ziet diezelfde mensen vaak hun huwelijks- en gezinsleven opofferen aan werk om die auto of die vakantie te kunnen bekostigen. Geld maakt niet gelukkig, zeggen we: maar hoeveel mensen stellen hun geluk niet in de waagschaal voor geld. Het probleem waar Jezus mee geconfronteerd wordt is zo oud als de wereld en speelt ook vandaag nog. In hoeveel families ontstaat er geen blijvende ruzie naar aanleiding van een erfenis? Jezus wordt gevraagd scheidsrechter te zijn in zo'n erfeniskwestie. Hij weigert heel beslist. Hij waarschuwt de man alleen, dat hij zijn leven niet moet laten vergiftigen door hebzucht. Jezus gaat niet op de kwestie zelf in. Misschien had die man wel degelijk recht op die erfenis, die zijn broer ingepalmd had. Hij wijst die man op het gevaar van hebzucht, als hij zich in dat recht vastbijt en zijn leven laat beheersen door de zucht om die erfenis te krijgen met alle ruzie en haat van dien. Is dat die erfenis wel waard? Alles ondergeschikt maken aan het hebben of krijgen van materiële dingen, terecht of ten onrechte: dat is hebzucht. En dat veroordeelt Jezus als de wortel van alle kwaad. Bedenk, zegt Jezus, dat alle materiële dingen betrekkelijk zijn en bedenk het niet alleen, maar leef ernaar, breng het in je leven in praktijk. Voor Jezus zijn maar twee dingen echt absoluut. Daar mag je alles voor over hebben; en dat zijn de eer van God en het geluk van je naaste. En alle materiële zaken moeten in dienst van de eer van God en het geluk van je naaste staan. Anders is het fout. En Jezus maakt dat duidelijk met het verhaal van de rijke boer, die denkt, dat hij het gemaakt heeft, als hij zijn schuren vol heeft liggen. Nu heeft hij jarenlang genoeg voor zichzelf. Nu kan hij genieten. Maar hij sterft die nacht en hij heeft niets. Want hij heeft zijn rijkdom niet gebruikt voor de eer van God of voor het geluk van zijn naaste. Hij is voor God straatarm. We moeten Jezus niet misverstaan. Hij zegt niet: dat we niet ons best mogen doen om geld te verdienen. Hij zegt ook niet, dat we niet blij mogen zijn, als we een goede oogst of succes in zaken hebben. Hij zegt alleen: dat daarin niet de zin van het leven ligt. Maar dat die dingen dienstbaar gemaakt moeten worden aan de liefde tot God en de liefde tot de naaste. Want we zijn niet geschapen om grote vermogens te vergaren, om ons denken te richten op bezit en genot, maar om God en onze naaste te beminnen. Dat laatste alleen heeft eeuwigheidswaarde A1 het andere is op de keper beschouwd; ijdelheid, zegt de Prediker. Hebel in het Hebreeuws. Ons woordje heibel komt er vandaan: koude drukte, zou je kunnen zeggen. Het evangelie van vandaag stelt ons een gewetensvraag: waarvoor kiezen wij in de praktijk van ons leven? Handelen we niet vaak alsof het middel, ons levensonderhoud, doel in zichzelf is. En maken we het doel God en onze naaste daar niet vaak aan ondergeschikt. Schieten God en onze naaste er niet vaak over in onze hebzucht. Doen wij werkelijk moeite om rijk bij God te worden. En u weet wat dat betekent: je geld en je bezit gebruiken om je naaste te helpen. Zo wordt je bezit middel tot liefde. En hier geldt, denk ik: hoe meer je hebt, hoe zwaarder de verplichting is. God vraagt niet dat je alles weggeeft, dat je nergens geen vreugde meer aan mag beleven. Maar ik denk niet dat dat gevaar bij ons erg groot is. Die andere neiging is veel sterker: steeds meer te willen hebben en vast te houden. Jezus maant ons te vechten tegen onze hebzucht in de praktijk van iedere dag en te proberen met wat we bezitten rijk te worden bij God, zodat we bij de eindafrekening bij God een positief saldo hebben. Bankrekeningen en volle schuren zijn dan voor goed ijdelheid.
18DE ZONDAG DOOR HET JAAR C
Bij: Pred. 1, 2; 2, 21-23
Kol. 3, 1-5.9-11
Lc 12, 13-21
PREKEN
zondagen
door het jaar c