
Het is een beetje in tegenwoordig binnen bepaalde groeperingen in de kerk om de profeten en in die lijn ook Jezus voor te stellen als sociale revolutionairen, die het erom te doen zou zijn de sociale orde van de maatschappij omver te gooien. En het evangelie van vandaag schijnt ze op het eerste gezicht gelijk te geven. Het is het evangelie van de kritiek op de rijkdom. Maar als we goed lezen merken we dat het niet op de eerste plaats sociale kritiek is die Jezus geeft, maar godsdienstige. De rijke wordt niet op de eerste plaats veroordeeld omdat hij de arme Lazarus niets gaf. Dat verwijt maakt Abraham niet aan de rijke als deze in de onderwereld gekweld wordt door vreselijke pijnen. Abraham zegt alleen: "Gij hebt tijdens uw leven uw deel van het goede gekregen en daarom word je nu hier gefolterd." Wat de rijke als schuld wordt aangerekend, is allereerst dat hij zich in zijn aardse leven godsdienstig misrekend heeft. Hij heeft op het verkeerde paard gewed. Hij heeft namelijk bezit en genot tot enige inhoud van zijn leven gemaakt. Er bestond voor hem niets anders dan dat. Zijn devies was in feite: laten we eten en drinken, want morgen zijn we dood. Hij heeft heel zijn vertroosting gezoch in datgene wat hij hier en nu bezat. Hij heeft er alles uitgehaald wat erin zat. En daardoor vergat Hij God en zijn geboden en dus ook de medemens. Daartegenover zegt Jezus in de parabel: dit leven is een voorbereiding op het eeuwige leven. En daartussen zit het beslissende oordeel van God waarbij de mens gemeten wordt naar Gods maten: of hij namelijk geleefd heeft naar Gods toekomst toe of dat hij zich opgesloten heeft in zichzelf en in de wereld. En dat laatste heeft de rijke gedaan. Dit in tegenstelling tot de arme Lazarus, die vanzelfsprekend uitkeek naar God en zijn toekomst, omdat hij deze wereld niets te verwachten had.
Alleen in die zin veroordeelt Jezus de rijkdom en prijst de armen zalig. Je zou kunnen zeggen als een soort types: de rijke als in deze wereld opgesloten, voor God en voor zijn medemensen afgesloten en de arme als openstaand naar God. Toch kent Jezus geen klassenmaatschappij. Hij zet nooit de armen tegen de rijken op. Hij gaat met de armen om, maar hij zit ook aan aan de feestmalen van de rijken. Hij prijst niet de armoede als zodanig zalig en hij verdoemt ook niet de rijkdom. Jezus kent en erkent de scheppingsgaven van God en Hij kan er ook van genieten. Maar Jezus ziet wel het gevaar, dat de dingen van deze wereld, die eigenlijk een reden zijn om God te danken en te prijzen, zich als een muur tussen ons en God inschuiven en dat we zodoende God en ons eigenlijke leven vergeten. Dit gevaar geldt voor arm en rijk; voor de rijke als hij helemaal opgaat in zijn ebzit, maar evengoed voor de arme, als deze maar één wens heeft: rijk te worden en zich laat vergiftigen door haat tegenover de rijken.
Jezus gaat in tegen een mentaliteit, die weliswaar bij rijken misschien emer voorkomt maar evengoed bij armen kan voorkomen: dat men zich opsluit in het hier en nu en God en zijn medemensen vergeet. Dat niet meer de liefde regeert, maar het egoisme, de onverschilligheid of de haat. Van deze geslotenheid getuigt in sociaal opzicht de rijke die niet weet te delen, die alles voor zichzelf houdt, geen oog heeft voor sociale gerechtigheid, maar ook de arme die blinde haat en klassenstrijd preekt. Dat is de mentaliteit die alleen maar oog heeft voor het hier en nu; die aan God en zijn beloften geen boodschap heeft. Dat klaagt Jezus aan. En dat betreft ook ons. Wij allemaal worden steeds weer bedreigd door die mentaliteit. We leven in een welvaartsmaatschppij, waarin bezit en genot het beleefd geloof in het eeuwig leven dreigt te verdringen. We hebben steeds meer moeite met het brengen van offers. De moderne mens heeft het steeds drukker met geld verdienen en het opmaken van het verdiende geld. We kunnen steeds minder overweg met ziekte en handicap. We hebben geen tijd voor de ouderen, voor de zieken. Geen tijd om te bidden en naar de kerk te gaan. Hebben we werkelijk geen tijd. De meeste mensen maken wel tijd voor feesten, vakanties, voor de geliefde tv-programma's.
De vraag is leven we met het zicht op de eeuwigheid. Leven we volgens Gods geboden. We hebben toch Mozes en de profeten, we hebben toch het evangelie, we hebben de voorschriften van de kerk. En daar moeten we het mee doen, zegt Abraham tegen de rijke. daar zullen we op worden afgerekend. Leven we volgens die geboden met een open oog en tijd voor God en de medemens of gaan we op in de materiële dingen. Dat is de vraag die Jezus ons stelt. En Gods antwoord geeft Hij erbij: het is Lazarus in het paradijs of de rijke in de eeuwige kwelling. Amen.



26STE ZONDAG DOOR HET JAAR C
Bij: Am. 6, 1a.4-7
1 Tim. 6,11-16
Lc. 16, 19-31
PREKEN
zondagen
door het jaar c