
We hebben de neiging, zusters en broeders, nogal eens tevreden te zijn met ons zelf en we spiegelen ons dan vaak aan de vele andere mensen, die zich om God noch gebod bekommeren en maar raak leven. Die niet naar de kerk gaan, die het gebed vergeten, die hun kinderen niet meer in het geloof opvoeden, die hun huwelijk op de klippen hebben laten lopen of die zomaar samenwonen. We hebben de neiging om te zeggen: in vergelijking met al die mensen doe ik het nog lang niet slecht. God mag eigenlijk best tevreden zijn met iemand zoals ik. In het evangelie heet dat: 'overtuigd zijn van eigen gerechtigheid'. Het blijkt vandaag weer, dat Jezus niet erg veel op heeft met dat soort mensen: de braven die vinden, dat ze zelf braaf genoeg zijn en een beetje neerkijken op de anderen. Die mensen gaan eigenlijk op de troon van God zitten. Ze zijn aan het oordelen. Ze oordelen zichzelf tot de goeden en bepaalde andere mensen tot de slechten. Dat oordeel komt mensen niet toe. Jezus heeft een hekel, en dat blijkt telkens opnieuw in het evangelie, aan mensen die zelfgenoegzaam zijn, die zichzelf goed vinden. Immers goed en heilig is God alleen. Mensen, hoe goed ze het ook proberen, schieten steeds weer te kort, staan schuldig tegenover God en hebben Gods barmhartigheid nodig. De farizeeër in het evangelie had Gods barmhartigheid niet meer nodig. Hij meende tegenover God in zijn recht te staan. Met fier opgeheven hoofd bidt hij zijn dankgebed. Jezus' sympathie gaat uit naar de tollenaar, die zich met neergeslagen ogen op de borst klopt. Niet omdat Jezus sympathie heeft voor de daden van de tollenaar. Die daden waren duidelijk zondig - iedereen wist dat. Hij was een collaborateur van de Romeinen, een uitzuiger. Jezus heeft sympathie voor de tollenaar, omdat hij ten diepste beseft dat hij Gods barmhartigheid nodig heeft. Dat hij alleen maar leven en toekomst heeft, als God hem vergeeft. Hij kan zich niet beroemen op eigen gerechtigheid, hij moet leven van Gods genade. Die grondhouding moet iedere mens bezitten. Want we zijn allemaal zondaars tegenover God, hoe goed we het ook proberen. We moeten ons allemaal steeds weer op de borst kloppen. Met deze problematiek houdt zich ook de bisschoppensynode in Rome bezig: bekering en verzoening. En verschillende bisschoppen hebben daar al geconstateerd, dat het zondebesef bij de mensen algemeen is afgenomen. Veel mensen vinden dat ze eigenlijk wel goed leven zoals ze leven. En wat er fout is in de wereld ligt dan aan anderen of aan structuren. Mensen die zo denken hebben geen behoefte aan vergeving en verzoening. Dat verklaart dat ook minder mensen gebruik maken van het sacrament van boete en verzoening de biecht. In het evangelie van deze zondag maakt Jezus ons duidelijk, dat we allemaal persoonlijk schuldig staan tegenover God. En dat, als we dat niet erkennen, nooit gerechtvaardigd zullen worden. Alleen mensen die er steeds op uit zijn hun leven te beteren, die steeds weer zegen, net als een formule aan het begin van de mis maar vanuit de grond van niet hart: Heer, wees mij zondaar genadig, zullen door God aanvaard worden. Misschien mag ik dan op deze missiezondag één ding noemen waar we allemaal in tekort schieten, als we oog in oog staan met de schrijnende armoede in de wereld, als we kijken naar de jonge kerken in Afrika, Azië en Zuid-Amerika. 0, we geven aan de collectes, ook direct weer, maar geven we genoeg? We laten er in ieder geval niets van luxe voor schieten. Is er werkelijk reden om tevreden over onszelf te zijn, als we ons eigen leven confronteren met de ellende inde wereld en dan zien wat wij er persoonlijk aan doen, al lijken onze bedragen in de collectes respectabel. Ook hier blijven, we als 'in zoveel dingen onder de maat van de echte liefde, die zichzelf vergeet. Ook hier past: Heer, wees mij zondaar genadig in plaats van te zeggen: ik geef zo en zoveel. Mag ik dan eindigen met een uitspraak, die niet van een socialistische wereldverbeteraar is maar van de degelijke, oerchristelijke kerkvader Ambrosius: "Het is niet uw goed, waarmee ge u tegenover de armen royaal toont. Gij geeft hem slechts terug wat al van hem is. Want de aarde is er voor alle mensen, niet alleen voor de rijken. Amen.



30STE ZONDAG DOOR HET JAAR C
Bij: Sir. 35, 15b-17.20-22a
2 Tim. 4, 6-8.16-18
Lc 18, 9-14
PREKEN
zondagen
door het jaar c