De verhouding met zijn moeder is voor een kind van onschatbare betekenis. Zij is degene, die hem heel direct een stuk levensvertrouwen een gevoel van geborgenheid, een gevoel dat het leven goed is, ondanks de moeilijkheden en de pijn, ondanks de zorgen en het verdriet, vertrouwen in het leven. Op die basis kan echt Godsvertrouwen groeien. Een aanvoelen dat het leven sterker is dan de dood, dat God zijn mensen niet in de steek kan laten, evenmin als een moeder haar kind in de steek laat. De heldhaftigheid van de zeven broers waarover wij lazen is, denk ik ook voor een groot stuk terug te voeren op de verhouding met hun moeder Over die moeder worden hartverwarmende dingen gezegd, die niet zijn opgenomen in de passage, die U gehoord heeft. Terwijl de eerste broer wordt gemarteld moedigen de anderen en hun moeder elkaar aan om heldhaftig te sterven. Toen als laatste de jongste broer voor de marteling stond, boog zijn moeder zich naar hem toe en zei: Kind heb medelijden. Ik heb je negen maanden in mijn schoot gedragen, je drie jaar gevoed en je gekoesterd en opgevoed tot de jongen die je nu bent. Ik smeek je, mijn kind, beschouw de hemel en de aarde met al wat ze bevatten en bedenk dat God dit alles uit het niet heeft gemaakt en dat ook het menselijk geslacht op dezelfde wijze is ontstaan. Wees niet bang voor die beul en aanvaard de dood, dan zal ik je met je broers terugkrijgen op de dag dat God zich over ons ontfermt. En na haar zonen sterft tenslotte ook de moeder. Daar is vertrouwen in de goedheid van het leven, in de goedheid van God, juist als het tegendeel lijkt te overwinnen. Juist omdat die vrouw haar leven geborgen wist bij God, was er geen onzekerheid, geen twijfel. En die geborgenheid, dat rotsvaste vertrouwen op God heeft zij op haar zonen overgebracht en wij staan misschien tezamen met die heidense koning verbaasd over de uitspraak van een van die Makkabese broeders: het is niet zo erg door mensen omgebracht te worden, wanneer wij mogen vertrouwen op Gods belofte dat Hij ons weer zal laten verrijzen. Voor die moeder met haak zonen is het geen vraag wat er na hun leven met hen gebeuren zal: God zal hen doen verrijzen. Voor ons is het dikwijls wel een vraag: er wordt zo dikwijls gezegd: ik weet het niet; er is nog nooit iemand terug gekomen. Hoe kan het allemaal. Ik weet het niet, ik zal wel zien. Daaruit spreekt een zekere twijfel; een zekere wanhoop aan het leven; een zekere wanhoop aan God. Wij durven God eigenlijk niet te vertrouwen.
Ook Jezus raakt over de vraag van een leven na de dood in een heftige discussie met de sadduceeën. In de dagen van Jezus geloofden bijna alle Joden dat de doden zouden verrijzen. Dat geloof was toen eigenlijk nog maar heel nieuw. Pas zo'n 160 jaar voor Christus werd daar voor het eerst over geschreven. In de tijd van de Makkabese broeders, ongeveer 120 jaar voor Christus, was het geloof in de verrijzenis een levende overtuiging. Maar voor die: tijd dachten de joden eeuwenlang, dat met de dood het eigenlijke leven afgelopen was. Wie doodging daalde af naar het dodenrijk. Maar daar was het maar een triest en schimmig bestaan. Dat kon je nauwelijks leven noemen. Er was geen contact met de levenden, geen contact met Jahweh. God. Nu hielden de sadduceeën ten tijde van Jezus aan deze opvatting vast. Ze aanvaardde slechts het gezag van de alleroudste bijbelboeken. En daarin kwam meenden zij, niets voor wat wees op de verrijzenis van de doden. Jezus echter deelde de nieuwe opvatting. Dat namen de sadduceeen hem kwalijk. Ze dachten zo'n profeet moest beter weten en probeerden dat geloof belachelijk te maken met het verhaal van de 7 mannen die allemaal met dezelfde vrouw gehuwd waren geweest. Dat zal een mooie toestand worden in het hiernamaals. Maar Jezus, die een diepe, vertrouwelijke relatie had met God zijn Vader weet heel zeker en getuigt daar ook van dat de doden zullen verrijzen. Hij weet heel goed dat God Hem en ook de andere mensen nooit in de steek zal laten en hij bestrijdt de Sadduceeën met hun eigen argumenten, de oudste boeken van de Bijbel. Hebben jullie de boeken van Mozes wel goed gelezen zegt Hij; daar staat: Ik ben de God van uw Vader Abraham, Izaak en Jacob. Maar toen deze woorden ge sproken werden waren deze aartsvaders a1 lang dood en toch zegt God,  dat Hij hun God is, dus ook na de dood.  Voor Jezus is het heel wezenlijk dat de doden zullen verrijzen. En dan staan wij meteen klaar met de vraag naar het hoe en het wat. Hoe zal het daar zijn, zullen we elkaar daar tegenkomen. Daar geeft Jezus geen antwoord op. Hij zegt alleen maar dat de verrezenen in het hiernamaals heel anders zullen leven dan hier op aarde: in het hiernamaals huwt men niet en wordt men niet ten huwelijk gegeven. Het is trouwens opvallend dat geen van de Bijbelschrijvers iets zegt over het hoe. Ik ben ervan overtuigd dat dat ook ons begrip als mensen die hier en nu leven in onze beperkte wereld ver te boven gaat. Misschien is het vragen naar het hoe een uiting van gebrek aan geloof, aan vertrouwen, aan overgave. Voor de makkabese broeders was kat de vraag naar het hoe helemaal niet belangrijk. Voor Jezus ook niet. Voor ons vaak wel. Misschien komt dat, omdat we niet meer voelen wat het betekent als we zeggen: ik geloof in God. Is het niet zo, dat wie zegt: ik geloof in God, dat hij zijn vertrouwen in Hem uitspreekt, tegelijkertijd zegt: God heeft ons gemaakt. Hij zal ons ook thuis brengen. Soms hoor je mensen zeggen. Ik geloof wel in God, maar dat hiernamaals zie ik niet zitten. Dat hoeft voor mij niet. Nou dan denk ik dat zo iemand in een andere God gelooft dan in de God van De Bijbel. Dan in de God van Jezus, die Hem Vader noemde, de God van, de levenden. Wie zegt: ik geloof in God, die spreekt uit dat voor hem het leven van de mens ónverwoestbaar is. Dat is het leven dat onze moeder ons doorgaf.
32STE ZONDAG DOOR HET JAAR C
Bij: 2 Makk. 7, 1-2. 9-14
2 Tess. 2, 16-3,5
Lc. 20, 27-38
PREKEN
zondagen
door het jaar c