Onze wereld, zusters en broeders, is vol van meningen en opvattin­gen, vol van woorden die mensen spreken, wijde en onwijze woor­den, doordachte en ondoordachte woorden. Je hoeft de radio maar aan te zetten en tien tegen een tref je weer zo'n programma waarin luisteraars opgeroepen worden de telefoon te grijpen om in de uitzending hun mening over het een en ander ten beste te geven. Ook de televisie kent vele van die discussieprogramma's. Je wordt er soms moe van. Soms spreken bepaalde argumenten je aan, andere weer niet. Soms heb je de neiging je op te winden, dan weer zeg je: laat ze maar kletsen. Maar toch dringt zich, als het over belangrijke levensvragen gaat, de vraag op: wie heeft er nu gelijk, wat is nou echt waar, echt waardevol. Meestal blijft het steken in: "ik voor mij vind het zus of zo." En als we het dan met velen zo vinden, al dan niet ten gevolge van handige mediapropaganda, dan lijkt het norm te worden. Dan moet je zo denken, want dat hebben we met de meer­derheid vastgesteld. Maar dat kan morgen weer veranderen. Als ik mijn leven overzie, dan heb ik op veel terreinen veranderingen van de publieke opinie meegemaakt: opvattingen over huwelijk en huwe­lijkstrouw, over samenwonen, over abortus, over homoseksualiteit; over pedofilie zijn we weer terug bij af: daar was aanvankelijk iedereen tegen, in de jaren zeventig en tachtig groeide er steeds meer begrip en kwamen pedofielen op pedagogische en sociale academies om een lans te breken voor hun gevoelens, maar sinds Dutroux is er weer iedereen radicaal tegen. Zo zwalkt de mensheid die aan zichzelf overgelaten is door de geschiedenis. Want men verkoopt de op­vat­tingen die men nu in brede lagen huldigt als modern, maar er is er nauwelijks een bij die modern is. Als je iets van geschiedenis weet, dan zou je kunnen weten, dat al die opvattingen al in eerdere perio­des gepropageerd en gepraktiseerd zijn. Het voorbeeld van euthanasie laat zich terugvinden in de zeer recente geschiedenis. Er zijn mensen, die aangetoond hebben dat euthanasie en abortus nu met dezelfde ar­gumenten en deels met dezelfde doelen wordt toegepast als door de Nazi's in Duitsland. De Nederlandse regering werd razend, toen de Osservatore Romano dit constateerde maar dat wil niet zeggen dat het niet zo is. Temidden van al die meningen, al die schuivende opvattin­gen staan wij, christenen. En het lijkt soms alsof velen van ons zijn als de Joden ten tijde van de Babylonische ballingschap. Ze leefden midden tussen de heidenen met hun heidense opvattingen. En ze pro­beerden in die ballingschap hun eigen Joodse tradities te handha­ven, maar zonder tempel en zonder de heilige Schrift, want die was hun afgeno­men. Maar in de loop van de zeventig jaar van de ballingschap slopen er natuurlijk ongemerkt dingen, opvattingen, meningen van de heidenen binnen. Er was ook niets vasts waaraan ze zich konden toet­sen. Zo lijkt het ook met veel christenen in onze tijd te gaan. Ze willen wel christen blijven maar ze nemen ongemerkt opvattingen van de heidenen over want die zijn zo overheersend en vaak ook heel aan­trekkelijk, omdat ze gemakkelijk zijn. En dan horen we in de eerste lezing van deze zondag een grote veran­dering. De Joden zijn na de ballingschap weer terug in Jeruza­lem, op hun eigen grond. Alles moet opnieuw herbouwd worden. Nu roept de priester Ezra heel het volk bij elkaar op het plein voor de Waterpoort. Het heeft het boek van de Wet van Mozes, de Torah, in zijn hand, waarvan ze de tekst 70 jaar niet gehoord hadden. Hij begint voor te lezen en de levieten gaven uitleg als men het voorgele­zene niet begreep. Wat daar voorgelezen werd was niet de mening van de een of ander, zelfs niet de opvatting van een wijs en vereerd mens. Het was het Woord van God zelf. Het was Gods eigen waar­heid. Zo werd het door de toehoorders ook verstaan. Wat ze hoorden was de norm, de zeker­heid. En het horen van die woorden greep het volk zo aan, dat het in tranen uitbarstte, deel van vreugde omdat men de zekerheid gevonden had, maar deels ook uit droef­heid omdat ze bij de voorlezing merkten dat ze dikwijls van Gods weg waren afgeweken. Ezra zegt dan: wees niet treurig maar blij; er moet feest zijn want we hebben weer vaste grond onder de voeten; we zijn geen speelbal meer van de machten van deze wereld. We hebben Gods eigen woord als houvast. Ook wij, christenen, zouden ons daar in deze tijd meer van bewust moeten zijn, onze vaak verwarrende maatschappij. We hebben zelf meer dan de wet van Mozes. We hebben de vervulling ervan: Chris­tus, het mensgeworden Woord van God. Wat Hij zegt is waarheid, is norm van handelen, is zekerheid. Om niet af te dwalen van Christus, om de weg van de waarheid niet kwijt te raken moeten we steeds weer onszelf toetsen aan zijn woord en de uitleg ervan door de Kerk. Zonder luisteren naar het evangelie, zonder luisteren naar de Kerk, word je als mens gemak­kelijk speelbal van de mode van de dag; kom je niet veel verder dan te zeggen: "ik vind" En je vindt alleen de zekerheid van de twijfel die je deelt met anderen, die ook zeggen: "ik vind" of de zekerheid van het getal: maar iedereen zegt toch, wetend dat morgen weer iedereen iets anders kan zeggen. Christenen houden het bij God, bij zijn wil, net als Ezra. Dat is de veilige weg. Immers aan Hem en aan Hem alleen zullen we eens reken­schap moeten afleggen van onze daden. Amen.
3DE ZONDAG DOOR HET JAAR C
Bij: Neh. 8, 2-4a.5-6.8-10
1 Kor. 12, 12-30
Lc 1, 4-4; 4, 14-21
PREKEN
zondagen
door het jaar c