
Profeten zijn merkwaardige mensen, medechristenen. Zij zijn altijd buitenbeentjes in de maatschappij waarin ze optreden; niet omdat ze dat zo graag willen, want er is weinig plezier aan te beleven om een uitgestotene in de maatschappij te zijn. Maar ze kunnen niet anders. Ze moeten of ze willen of niet: Gods Woord verkondigen in een maatschappij, die altijd in meerdere of mindere mate tegengesteld is aan Gods bedoelingen. God spreekt hen aan en zij moeten zijn woorden doorgeven. Zij moeten zich, zoals de profeet Jeremia, zich door niemand of niets laten afschrikken en als "een ijzeren zuil, als een koperen muur" pal staan voor God tegenover heel de maatschappij. En die woorden van God zijn dan vaak ongemakkelijk voor mensen, hakken soms als vlijmscherpe messen op de mensen in.
Immers mensen zijn zo gauw tevreden met zichzelf, ook godsdienstige mensen. U moet zich een voorstellen: die oud-testamentische profeten op dat drukke tempelplein van Jeruzalem. Mensen lopen af en aan om hun godsdienstige verplichtingen te vervullen: te gaan bidden of offers op te laten dragen. En daar staat dan die profeet: "mensen", schreeuwt hij, God interesseert zich niet voor jullie offers, want als je de tempelpoort uitloopt trek je je neus op voor de bedelaars, laat je de armen aan hun lot over. God wil liever rechtvaardigheid dan offers."
Dat zet kwaad bloed; dat wekt wrevel bij al die vrome mensen, want diep in hun hart voelen ze dat de profeet gelijk heeft. Maar wat die profeet zegt, verstoort hun normale leventje, de gemoedsrust die ze opgebouwd hebben, het akkoordje dat ze met hun geweten gesloten hebben en dat willen ze niet. Dan worden ze kwaad. Profeten worden dan ook uitgejouwd, komen in de gevangenis terecht of soms kost het zelfs hun kop, zoals bij Johannes de Doper.
Pas na hun dood worden ze weer als heiligen vereerd; hun geschriften worden gelezen in de synagoge. Er wordt met eerbied over hen gesproken. Maar door de vrome verering worden ze soms opnieuw onschadelijk gemaakt. De scherpe kanten van hun woorden worden door de prediking bijgeslepen en de wonderen die ze verricht hebben, komen soms meer naar voren dan hun woorden. Jezus zegt niet voor niets: "wee u, jullie maken pronkgraven voor de profeten, maar uw vaderen hebben hen gedood."
Jezus presenteert zich vandaag in Nazaret als een profeet, die namens God eisen stelt: hoge eisen van rechtvaardigheid, van trouw, van liefde. De evangelist Lucas ziet hier in Nazaret gebeuren, wat eigenlijk met Jezus in het hele Joodse land gebeurt: Hij wordt net als alle profeten vóór Hem verworpen door zijn vaderstad, door zijn vaderland, door zijn volk. In Nazaret gebeurt nu als wat over drie jaar in Jeruzalem zal gebeuren. Een onschadelijke wonderdoener, dat kan nog, maar iemand die mensen aanklaagt op hun gedrag en daarbij pretendeert dat namens God te doen, die irriteert hen, die moet uit de weg geruimd worden. Jezus verzacht zijn woorden niet als men begint te mopperen. Integendeel hij vergelijkt zich met Elia en Elisa, die de Joden ondertussen als heiligen vereren, maar die bij hun leven uit veiligheidsoverwegingen naar het buitenland moesten vluchten. "Schijnheiligen zijn jullie", zegt Hij. En dan willen ze Hem vermoorden; ze gaan Hem lynchen. Maar Hij gaat midden tussen hen door en vertrekt. Gods Woord kun je niet vernietigen. Het is als een ijzeren zuil, als een koperen muur. Ook niet drie jaar later, als ze Hem aan het kruis geslagen hebben. Ook dan gaat Hij vrijuit en ontsnapt door zijn verrijzenis aan de woede van het volk.
Medechristenen, wij lopen hetzelfde gevaar als de Joden. Wij kunnen Jezus ook vereren als de Lieve Heer, vroom bidden, kerken voor Hem bouwen, telkens weer samenkomen, maat tegelijkertijd zijn vlijmscherpe woorden vergeten of afzwakken. Wierook, muziek, gebeden kunnen ons de kop niet kosten: maar de minste zijn, opkomen voor de armen en verdrukten, trouw zijn in je huwelijk wat er ook gebeurt, jezelf wegcijferen voor de ander als je eigen "ik" zich daartegen verzet, dat is heel wat anders. Jezus presenteert zich vandaag aan ons als profeet, die wil dat wij onszelf en door onszelf de maatschappij veranderen in zijn geest. Dat zal in die maatschappij tegenstand oproepen; dat zal onszelf offers kosten. Want de maatschappij en ook ons eigen ik verzetten er zich tegen. Toch is dat de weg van Jezus, de weg van God. Als volk van God moeten wij een volk van profeten zijn. Wij hebben een profetische taak in onze maatschappij, allemaal, door onze woorden maar vooral door ons gedrag. Zo zijn we zout der aarde, licht van de wereld, verkondigers van het evangelie. Amen.



4DE ZONDAG DOOR HET JAAR C
Bij: Jer. 1, 4-5.17-19
1 Kor. 12, 31-13, 13
Lc 4, 21-30
PREKEN
zondagen
door het jaar c