Het kernwoord, de verbinding tussen de beide lezingen van deze zondag, medechristenen, is het woord "Koninkrijk". Ik zou bij dat voor de bijbel zo belangrijke en centrale begrip koninkrijk graag even stilstaan. Een allereerste schildering van het Koninkrijk van God vinden we in het eerste boek van de Bijbel, in het boek van de Schepping: daar wordt beschreven hoe alles in den beginne goed en harmonisch was, omdat God het zo bedoeld en ingericht had: Gods liefdesheerschappij is in alle beelden van dat verhaal te proeven: het paradijs, waar de dieren maar vooral de mens en zijn vrouw in harmonie met elkaar leven, omdat ze God erkennen als hun Heer en naar zijn geboden leven, het paradijs, waar God op een ongedwongen manier met de mensen omgaat, met hen praat, met hen wandelt, dat is de gelukkige toestand van het Koninkrijk Gods. Maar hetzelfde boek schildert ook, hoe de mens zijn vrije wil misbruikt en aan God gelijk wil zijn, zichzelf een god wil zijn, een fatale aanslag pleegt op Gods heerschappij: en ze merken, als het zover is, dat ze naakt zijn, dat ze niets meer hebben, dat de harmonie verdwenen is en dat het paradijs tot een onherbergzame woestijn is geworden. Het Koninkrijk Gods is verdwenen en het koninkrijk van de mens is begonnen met alle ellende van dien. De grote heilsboodschap van de Bijbel is nu, dat dat Koninkrijk van God, die gelukkige toestand niet verdwenen is en eens weer zal doorbreken zoals in het begin. Hij roept iedere individuele mens op zich opnieuw onder zijn heerschappij te stellen door zijn geboden te volgen en zo te laten verlossen uit de heerschappij van het kwaad, dat leidt tot de dood. Maar het zijn alleen nog maar de profeten, die in hun visioenen het Rijk van God durven te schilderen in optima forma: die de beelden van harmonie tussen God en mens en in de schepping. U kent ze al die beelden vanaf Jesaja, die de koe en de berin en het wolf en het lam samen ziet grazen tot Johannes, die het nieuwe Jeruzalem van God uit de hemel ziet neerdalen, de plaats waar God woont met de mensen, waar leven is en geen dood, waar vreugde is en geen verdriet. Het komt zegt God, zo zeker als Ik leef, want Ik laat mijn mensen niet in de steek. Ik ben een reddende God. Maar die heerschappij van God zoals die was in het begin, is toekomstmuziek, is de hoop waarvan we leven. Is er dan nu niets? In die tussentijd, tussen begin en einde, tussen tuin van Eden en de nieuwe stad Jeruzalem, roept God in deze door het kwaad getekende wereld, in deze wereld waarin de mensen zichzelf tot God zijn telkens weer mensen om zich ondanks alles, misschien met vallen en opstaan toch onder zijn heerschappij te stellen. Dat horen we in de eerste lezing: Hij redt het volk uit de slavernij van Egypte en zegt: jullie ervaren aan den lijve, dat Ik een reddende God ben: stel dan nu voorgoed jullie vertrouwen op Mij, stel je onder mijn heerschappij, leef volgens mijn geboden. Dan zullen jullie temidden van dat Koninkrijk van de mens, temidden van die slechte wereld mijn Koninkrijk, mijn volk zijn. Iets van die mooie situatie van de toekomst wordt dan nu al gerealiseerd. Maar ze mogen het niet voor zichzelf houden. Ze zullen een priesterlijk Koninkrijk zijn, een volk van priesters, van middelaars, die Gods roepstem gehoord hebben en die doorgeven om zoveel mogelijk mensen onder Gods heerschappij te brengen. Dan zal het Koninkrijk van God tot geluk van alle mensen groeien naar de voltooiing. Jezus, die volkomen één is met de Vader, in en rond Hem leeft het Rijk Gods volkomen. Hij is de hogepriester, de grote Middelaar, die namens God vergeving verkondigt, zieken geneest en doden opwekt. Ook Hij wil dat zoveel mogelijk mensen tot dat Rijk Gods gaan behoren en gelukkig zullen kunnen leven, als het definitief aanbreekt. Want dan vindt het oordeel plaats. Dan wordt de tarwe gezift, de bokken van de schapen
.gescheiden. Tot dat ogenblik is er nog tijd voor bekering, voor toetreding tot dat Rijk Gods. En vandaag roept Hij zijn twaalf apostelen om het rijk Gods te verkondigen in woord en daad, zodat de mensen er zich bij aan zouden sluiten en niet langer afgetobd zouden neerliggen als schapen zonder herder .
Medechristenen, het is een grote genade om als christen geroepen te zijn om te leven binnen het Koninkrijk Gods: om te weten dat er een goede toekomst wacht als we in gemeenschap met de Kerk door Jezus God laten heersen over ons leven. Maar het is ook een grote verantwoordelijkheid. Want als leden van de kerk horen wij tot een koninkrijk van priesters zoals Petrus in een van zijn brieven zegt. En dat betekent, dat ook wij middelaars moeten zijn. In onze dagen liggen er een heleboel mensen afgetobd neer in de ban van hun materialisme en een eenzijdig humanisme. Het is onze taak erop uit te trekken en hun het Rijk Gods te verkondigen, hun de leer van Christus voor te houden en voor te leven. Het mag ons niet onverschillig laten hoe andere mensen leven. Hun geluk staat op bet spel. We mogen bekeringswerk en missionering ook niet alleen aan de ambtsdragers overlaten. We zijn immers allemaal samen een Koninkrijk van priesters, geroepen om anderen te brengen onder de heerschappij van God, herders te zijn naar bet voorbeeld van Jezus. De bede in bet onzevader: uw Rijk kome, veronderstelt van ieder van ons dat we daadwerkelijk Gods liefdesheerschappij helpen vestigen en uitbreiden in de wereld in verbondenheid met Jezus onze Hogepriester, die ons verzoent met de Vader.
11de zondag door het jaar a
bij: Ex. 19, 2-6a
Rom. 5, 6-11
Mt. 9, 36-10,8
PREKEN
zondagen
door het jaar a