
Het verschil tussen en gelovige en een ongelovige is, dat de gelovige, niet op zichzelf, maar op God vertrouwt, niet zelf de antwoorden op zijn levensvragen geeft, maar die van God verwacht; terwijl de ongelovige op zichzelf vertrouwt, op zijn gevoel en op zijn verstand, en daarin de antwoorden op de levensvragen meent te vinden.
Dat ongeloof is in onze dagen wijd verbreid. De meeste mensen beschouwen zichzelf als "wijzen en verstandigen" in de zin waarin Jezus dat in het evangelie gebruikt: wijs en verstandig in het oog van de wereld. We zijn gemiddeld hoog opgeleid en hebben redeneertechnieken waarmee we ons leven inrichten op de manier waarop wij dat willen en als er iemand kritiek op heeft, dan hebben we argumenten om ons te verdedigen. En het laatste argument is: ik ervaar dat zo, ik vind het goed of dat moet tegenwoordig toch kunnen. Dat maak je toch zelf uit. Men geeft af op de Kerk van Christus of maakt zich een eigen kerk waarin iedereen het zelf wel kan uitmaken, zijn eigen antwoorden kan vinden. Men kijkt meewarig neer op vroegere generaties, die zich opgeofferd hebben voor hun gezin, die zich probeerden te houden aan een moeilijke moraal, die luisterden naar wat de Kerk zei. En men denkt: wij zijn "wel wijzer". Over die wijsheid heeft Jezus het. Het is de eigenwijsheid van de wereld; de intellectuele hoogmoed en het gevoelsmatige egoïsme, die de aanleiding waren tot de zonde van Adam en die nog steeds de kloof tussen God en mens in stand houden en de ondergang van de mens betekent. Want die wijzen en verstandigen, die zelf wel uitdokteren wat goed voor hen is en hoe ze moeten geloven en leven, sluiten zich af voor de wijsheid van God en krijgen geen deel aan het koninkrijk.
Tegenover die eigengereidheid van de wereldse wijsheid stelt Jezus het voorbeeld van de kinderen. Het evangelie wordt geopenbaard aan kinderen. En elders in het evangelie zegt Hij: als gij niet wordt als kinderen zult gij het koninkrijk van God niet binnengaan.
Iemand kan alleen maar gelovig zijn, als hij wordt als een kind. Dan alleen kunnen hem de geheimen van koninkrijk geopenbaard worden. En kind immers weet zich afhankelijk van zijn ouders. Een kind vraagt; heeft nog geen antwoorden. Het staat nog onbevangen in het leven. Het staat open. Zo moet een gelovige ook als een kind openstaan voor God; beseffen, dat hijzelf de antwoorden niet heeft; zelf niet weet wat echt goed voor hem is. Hij moet de vragen aan God stellen en onbevangen de antwoorden aanvaarden en er naar gaan leven.
En het antwoord dat God geeft op de vragen die de gelovige stelt is de persoon van Jezus Christus, Gods mensgeworden Zoon. In Hem kennen wij God en mogen wij tot God naderen. In Hem ontvangen wij het antwoord op al onze levensvragen.
Jezus nodigt ons uit om met de gesteldheid van een kind, vertrouwvol en open tot Hem te naderen met de last van je leven, met de moeilijkheden die je hebt. Hij nodigt ons uit zijn juk op de schouders te nemen. Het juk van zijn evangelie, het juk van de liefde. Het evangelie is een juk: het is niet altijd gemakkelijk heel de waarheid en heel de manier van leven, zoals Jezus die ons via zijn Kerk voorhoudt, te aanvaarden en te beleven. Ons egoïsme en onze gemakzucht komen er vaak tegen in opstand. We kunnen dat juk natuurlijk afgooien en de wijsheid van de wereld aanvaarden, die het zoveel beter weet dan de Kerk en dan Christus. Maar dan zul je geen rust vinden voor je ziel, dan beweeg je je van God weg. Nee, zegt Jezus, neem dat juk op je schouders, volg mij na in zachtmoedigheid en nederigheid, aanvaard net als Ik het kruis en je zult merken, dat mijn juk zacht is en mijn last, die soms zo zwaar lijkt in feite licht is. Want Ik draag het met je mee. Ik geef een diepe innerlijke rust aan je ziel, de vrede die de wereld niet geven kan. De vrede die vooruitgrijpt op het Pasen dat je deel zal worden. De vrede van een goed geweten en van verbondenheid met God, die sterker is dan alle tegenslag, sterker dan de dood.



14de zondag door het jaar a
bij: Zach. 9, 9-10
Rom. 8, 9.11-13
Mt. 11, 25-30
PREKEN
zondagen
door het jaar a