
Het woord "brood", medechristenen, doet blijkbaar vaak denken aan zelfbehoud en egoïsme. Zo zegt onze taal van iemand, die op zijn rechten staat, dat hij de kaas niet van zijn brood laat eten. En als je uit zelfbehoud iemand naar de mond praat: "wiens brood men eet, diens woord men spreekt". En als je kunt profiteren ten koste van een ander: "de een zijn dood, is de ander zijn brood".
Heel vaak wordt dat brood van het zelfbehoud voor het beste brood aangezien. Het begint al in de woestijn, als het Joodse volk met weemoed terugdenkt aan de vleespotten van Egypte. Het was daar geen leven in Egypte: er was daar onvrijheid en slavernij, maar er was tenminste brood op de plank. Zelfs het manna, het zogenaamde brood uit de hemel, zet zich in het geheugen van het volk vast als het moment van de gevulde magen.
Voor dat brood van egoïsme, van het materialisme, van zelfbehoud waarschuwt Jezus ons: "werkt niet voor voedsel dat vergaat". Jezus verwijt de mensen dat ze alleen maar achter Hem aanlopen, omdat Hij bij de broodvermenigvuldiging hun magen gevuld heeft. Veel belangrijker dan de maag is de ziel en het hart. Juist die moeten gevoed worden. Jezus verwijt de mensen dat ze alleen maar hun magen voeden en hun ziel en hart vergeten. En als je die vergeet, is het vullen van de maag tamelijk zinloos. Want ondanks al dat lichamelijke voedsel, ga je vroeg of laat toch dood. Dat voedsel voor de maag, dat materiële voedsel, is alleen maar uitstel van executie. "Daarom", zegt Jezus, "werkt voor het voedsel dat blijft ten eeuwigen leven." Voor Jezus is het lichamelijke voedsel slechts het teken van dat veel belangrijkere voedsel ten eeuwigen leven. Als Hij de schare te eten geeft van de vijf broden en de twee vissen, dan doet Hij dat uit medelijden met de honger van hun magen, maar vooral met de honger van hun hart. Hij wil daarmee zeggen: "Ik wil jullie geestelijke honger stillen". Het is er eigenlijk mee als wanneer Jezus zieken geneest. Dan geneest Hij het lichaam, maar dat ziet Hij vooral als een teken van genezing van de ziel. Denkt u maar aan de genezing van de lamme: "uw zonden zijn u vergeven".
Iedere mens, maar vooral de mens in onze welvaartsmaatschappij, is tot materialisme geneigd. Jezus waarschuwt voortdurend voor het gevaar van het materialisme. Het is de zielloze buitenkant van het leven die, als de geestelijke vulling ontbreekt, in het graf tot stof vergaat. Wij hebben allemaal de neiging schatten te verzamelen en rijk te zijn, maar wat baat het ons, zegt Jezus, als er zonde is in ons hart, als ons geestelijk leven zwak is en ziek. Hoe zullen we voor God stand houden, als we niet rijk zijn bij Hem. Hoe kunnen we rijk worden bij God? Het belangrijkste en eerste werk, dat God van ons vraagt is - zo zegt Jezus vandaag - van harte te geloven in Jezus zijn Zoon. Je moet je binnenste, je hart en je ziel laten vullen door Jezus. Dan ben je niet leeg. Wil je een mens zijn, die aan de vergankelijkheid en het graf voorbijgaat, dan heb je Hem broodnodig. Hij is immers het ware brood uit de hemel, het geestelijk voedsel dat ons eeuwig leven geeft. Je moet Jezus in je opnemen. Hij moet in je leven door zijn woord en door zijn sacrament. Dat is het eerste en voornaamste werk dat God van je vraagt. Pas vanuit dat geloof, pas vanuit Hem, weet je hoe je moet handelen, weet je wat echte liefde is: weet je wat God van je vraagt in een huwelijk, in het werk, in de omgang met elkaar, in ziekte en tegenslag. Als Hij je niet geestelijk vult met zijn woord en zijn sacrament, dat loop je gevaar een heiden te worden met een christelijk vernisje, je nauwelijks in je handelen onderscheidend van de heidenen om je heen. Pas als Christus in je leeft, als Hij je voedsel is, dan ben je een nieuwe mens, zoals Paulus zegt, die in Christus naar Gods beeld is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid. Amen.



18DE ZONDAG DOOR HET JAAR B
Bij: Ex. 16, 2-4.12-15
Ef. 4, 17.20-24
Joh. 6, 24-35
PREKEN
zondagen
door het jaar b