
Het is heel gemakkelijk, broeders en zusters, een medemens te veroordelen. In een gezelschap de fouten van iemand die je kent breed uit zitten meten en tegen elkaar zeggen: "Snap je dat nou, hoe iemand zoiets kan doen. Dat lijkt toch nergens op en dat noemt zich nog christen ook." Over het algemeen beginnen we nogal vlug met oordelen en veroordelen. Soms komen we dan, of iemand uit het gezelschap, tot de conclusie: "Laten we er maar niet meer over praten. We hebben er niets mee te maken. Dat is toch zijn of haar verantwoordelijkheid."
Het evangelie van vandaag geeft heel concreet aan, hoe je in der gelijke omstandigheden moet handelen. En dan staat één ding voorop: je kunt, als het om een medechristen gaat die iets fouts doet, nooit zeggen: dat gaat me niet aan; hij of zij moet het zelf maar weten. We vormen als christenen namelijk één gemeenschap van broeders en zusters, die voor elkaar moeten opkomen. We zijn mede verantwoordelijk voor elkaars geluk. Als je buurman de straat wil oversteken en hij dreigt overreden te worden door een naderende auto, dan heb je de plicht - en je zult dat bijna automatisch doen - om hem bij zijn jas te grijpen en hem tegen te houden om hem zo voor een ongeluk te behoeden. Maar Jezus zegt dat we nog veel meer de plicht hebben onze buurman voor zijn geestelijke ondergang te behoeden. Als je merkt dat hij door zijn daden ingaat tegen belangrijke dingen waar het christendom voor staat en zo zijn geestelijke ondergang tegemoet gaat, dan heb je de plicht om hem bij zijn jas te grijpen en hem voor die ondergang te behoeden. Te meer nog, als hij door zijn gedrag ergernis geeft en zo de kerkgemeenschap als geheel schaadt. Je mag dan niet zeggen: ieder voor zich en God voor ons allen. Je mag hem ook niet meteen afschrijven, veroordelen. Jezus zegt in het evangelie dat je alles moet doen om je broeder te winnen, om te zorgen dat hij zich bekeert en dat hij zich opnieuw bij de gemeenschap aansluit.
De eerste stap in die richting die Jezus aangeeft is: ga met hem onder vier ogen praten en spreek hem aan op zijn gedrag. Zeg dat het zo niet kan. Ik denk dat we dit allemaal verschrikkelijk moeilijk vinden. Wat zal die ander zeggen? Vindt hij me niet bemoeiziek? Het zal duidelijk zijn, dat je dat alleen maar in alle bescheidenheid en met veel tact moet doen. In ieder geval moet laten blijken, dat je met hem begaan bent en dat je het doet voor zijn eigen bestwil. Daarvoor is natuurlijk op de eerste plaats vereist, dat je ook jezelf onder kritiek durft te stellen en het aanvaardt dat ander mensen je op je christen-zijn aanspreken.
De tweede stap is: als hij niet wil luisteren, haal er dan anderen uit de gemeenschap bij, die hem proberen te overtuigen. Pas als dat niets uithaalt, is hij verstokt in de boosheid, dan is het een zaak voor de kerk, voor de officiële instanties. Wil hij ook naar de kerk niet luisteren, blijft hij volharden in zijn onchristelijk gedrag, dan moet hij buitengesloten, geëxcommuniceerd worden. Dat klinkt hard uit de mond van Jezus, vooral voor mensen die steeds maar weer beweren, dat Jezus niemand wil buitensluiten. Jezus wil inderdaad niemand buitensluiten, maar hij constateert dat mensen op een gegeven moment zichzelf door hun hardnekkig gedrag buitensluiten en dat de kerk dat moet bevestigen.
We constateren op het moment ook binnen de kerk een verregaand individualisme. We leven niet in een gemeenschap die staat voor dezelfde idealen en dezelfde leefwijze. We constateren heel verschillende opvattingen en heel verschillende leefwijzen. En iedereen plakt daar voor zichzelf het etiket katholiek op. De kerkelijke leiding, de bisschoppen, die de gemeenschap in trouw aan het geloof en de christelijke levenswijze moeten bewaren, staan vaak machteloos. Ze spreken over het algemeen wel duidelijke taal, maar durven geen maatregelen te nemen, omdat men bang is dat de gemeenschap uit elkaar zal vallen. Het zal duidelijk zijn uit het evangelie van vandaag dat dat niet de gemeenschap is die Jezus voor ogen staat; dat is ook niet de christelijke gemeenschap die spreekt uit de brieven van Paulus. Jezus en in het voetspoor van Jezus Paulus willen een kerkgemeenschap, die duidelijke opvattingen heeft over naastenliefde, wat wel en wat niet kan, over een christelijk huwelijksleven, over wel en wat niet kan, over eucharistische eredienst, over wat wel en wat niet kan. Een gemeenschap waarin men elkaar aan kan spreken op het feit dat men niet naar de kerk gaat, in ongeregelde seksuele verhoudingen leeft, niets over heeft voor de armen in de wereld en ga zo maar door. Want die gemeenschap moet de juiste weg ten heil wijzen en de mensen behoeden voor de weg ten ondergang. De Kerk moet in haar herders daarom duidelijk spreken. De woorden van Ezechiël zijn op de eerste plaats tot de herders gericht. Zij zijn wachters voor het volk. Zij moeten in het algemeen de mensen op hun gedrag aanspreken en het duidelijk als christelijk of onchristelijk benoemen. Maar ook wij allemaal moeten elkaar individueel daarop aanspreken, hoe moeilijk dat ook is. We zijn verantwoordelijk voor elkaar, verantwoordelijk ook voor de Kerk, die in haar leden de boodschap ten leven in deze wereld moet uitdragen en dat alleen maar kan als we samen echt ergens voor staan en als mensen die dat op ernstige wijze niet doen, zich bekeren en zich opnieuw invoegen ofwel buitenstaander worden. Zo wil Jezus het. Amen.



23ste zondag door het jaar a
bij: Ez. 33, 7-9
Rom. 13, 8-10
Mt. 18, 15-20
PREKEN
zondagen
door het jaar a