De ouderen onder ons zullen zich uit de catechismus nog wel de vier voornaamste waarheden van het geloof herinneren. U weet wel: er is maar één God. Er zijn drie goddelijke personen, Vader, Zoon en heilige Geest. God de Zoon is voor ons mens geworden en aan het kruis gestorven. En het vierde: God loont het goede en straft het kwade.
Over die laatste waarheid van ons geloof spreekt ons de eerste lezing. God is rechtvaardig en daarom beloont Hij het goede en straft Hij het kwade. Het leven van een mens staat onder het oordeel van God en dat oordeel leidt tot beloning of straf. Hoe God individueel oordeelt over mensen ontgaat ons, maar de heilige Schrift geeft ons wel aanwijzingen hoe wij moeten handelen om niet onder het oordeel te vallen en in de lezingen van deze zondag vinden we enkele criteria, die God hanteert bij het oordeel.
Allereerst bij Ezechiël. Daar lezen we, dat God oordeelt over de mens, zoals hij nu is, niet over zijn verleden, niet over hoe hij geweest is. En dat geldt dan naar twee kanten. Heeft een boosdoener zich bekeerd en is hij als een rechtvaardige gaan leven, dan oordeelt God hem als een rechtvaardige. Dan kijkt God niet meer naar dat zondige verleden. En omgekeerd: gaat een rechtvaardige zondig leven, dan beschouwt God hem als een zondaar en zijn vroegere goede daden zijn hem van geen enkel nut. Aan dit gegeven kunnen we twee heel praktische conclusies verbinden:
Ten eerste: hoe het definitieve oordeel van God over een mens uitvalt, hangt af van hoe die mens is op het moment, dat dat definitieve oordeel over hem gesproken wordt, en dat is op het moment van de dood. Daarom zegt het evangelie, dat je waakzaam moet zijn, omdat de Heer komt als een dief in de nacht. Je moet altijd klaar zijn voor het onverwachte oordeel. Daarom ook spoort de Kerk verwanten en vrienden aan een priester bij een stervende te roepen, zodat de mens zich alsnog kan bekeren en verzoend met God kan sterven, zodat hij niet onder het oordeel valt. Daarom is het helemaal fout, wat tegenwoordig nogal eens gebeurt, dat men een zekere naderende dood ontkent, voor de zieke verborgen houdt en geen priester roept of pas roept, als de zieke buiten bewustzijn is. Men onthoudt hem dan de mogelijkheid zich alsnog te bekeren in het zicht van het naderende oordeel.
Een tweede conclusie is: dat wij als christenen überhaupt niet over mensen mogen oordelen. Dat oordeel komt alleen aan God toe. Maar dat we zeker niet mogen praten over minder goede dingen uit het verleden van een mens, als hij zich bekeerd heeft, als hij anders is gaan leven. God beschouwt de mens zoals hij nu is. Dat moeten ook wij doen,
Het evangelie wijst ons dan nog op een ander aspect van het oordeel, dat je kort kunt samenvatten als: geen woorden maar daden. Je geloof mooi kunnen belijden, precies weten hoe het moet, heel orthodox, recht in de leer zijn, is niet voldoende. Als je daden er niet aan beantwoorden, brengt je dat geloof niks. Als je ja zegt tegen God, tegen het christendom, maar nee doet, val je onder het oordeel. Als je aanvankelijk nee zegt, als je Gods wil niet doet, maar je komt tot inkeer en je gaat leven volgens Gods geboden, dan zal je dat als gerechtigheid worden aangerekend. In die zin zegt Jezus zullen tollenaars en zondaars, die een groot deel van leven in zonde hebben geleefd, maar die tot inkeer komen, het rijk van God binnengaan, terwijl mensen, die heel hun leven naar de kerk zijn gegaan, maar hun geloof niet in daden hebben omgezet, het Rijk van God mislopen.
Samengevat: God oordeelt de mens. Maar dat oordeel is niet angstaanjagend voor mensen. Want God is barmhartig voor de mensen die zich bekeren. Ook al heb je ooit nee gezegd, als je nu ja zegt en ja doet, wordt dat als gerechtigheid aangerekend. Amen.

26ste zondag door het jaar a
bij: Ez. 18, 25-28
Fil. 2, 1-11
Mt. 21, 28-32
PREKEN
zondagen
door het jaar a