
Heel goed passend bij de tijd van het jaar speelt vandaag door de lezingen het beeld van de wijngaard. Zowel in het lied van de profeet Jesaja, dat hij waarschijnlijk zong als zijn bijdrage aan een wijnfeest, als in het evangelie wordt het volk Gods vergeleken met een wijngaard. God zorgt voor zijn volk als een wijnboer voor zijn wijngaard. Hij treft alle voorzieningen om ervoor te zorgen dat het ene goede wijngaard wordt: hij plant uitgelezen materiaal van de hoogste kwaliteit, beschermd door een heining en een toren. En de perskuip wacht op de oogst. Maar in beide gevallen gaat het mis. Bij Jesaja bestaat de oogst alleen uit waardeloze wild bessen in plaats van prachtige volle druiven. In het evangelie is er wel oogst maar de pachters weigeren de opbrengst aan de landeigenaar. Ze doden zelfs zijn dienaren en zijn zoon om de opbrengst helemaal voor zichzelf te houden. De betekenis is duidelijk: Jesaja kondigt de ondergang aan van het volk van Israël omdat het ondanks Gods liefdevolle zorg geen vruchten voortbrengt. Ook Jezus zegt dat Israël zijn uitverkoren positie als volk van God zal verliezen, maar Jezus spitst het meer toe op de leiders van het volk die eigenmachtig zijn handelen, die Gods gezanten, de profeten, die hen de waarheid zeiden, hebben gedood en die er niet voor terugschrikken Gods eigen Zoon te doden als Hij hun plannen in de weg staat.
Wat moeten we met die twee verhalen? Slaan ze ook nog op ons? De Kerk, die niet meer alleen het Joodse volk maar mensen uit alle volken en talen die Jezus geloven, omvat, is de nieuwe wijngaard van de Heer. Met dit nieuwe Israël heeft God een nieuw verbond gesloten. Zou het nu mogelijk zijn, dat God net zo teleur gesteld raakt in de Kerk als in het oude Israël? Hangt ook de Kerk de dreiging van de godverlatenheid boven het hoofd. En de dreigende woorden aan het adres van de Joodse leiders, die Jezus in het evangelie uitspreekt, kun je die zonder meer toepassen op de Kerk? Is er sinds Jesaja, sinds Jezus niets veranderd? Zusters en broeders, ik denk dat er iets heel belangrijks veranderd is: het nieuwe verbond is immers gesloten in Christus. Het is niet meer gebouwd op mensen die er allemaal niet veel van terecht brengen, die stuk voor stuk tekort schieten en de wijngaard des Heren een troosteloze aanblik geven. De nieuwe wijngaard des Heren bestaat namelijk eigenlijk maar uit één wijnstok, die alle stormen doorstaat en die rijke vrucht draagt: namelijk Christus die verrezen is. Die wijnstok groeit als het ware tot in de hemel, blijft altijd met God verbonden. Het nieuwe Godsrijk is in Christus, Gods eigen Zoon. Die wijnstok is altijd fris en nieuw en kan daarom nooit zo'n troosteloze aanblik bieden als Jesaja beschrijft. Wel individuele mensen, wel individuele kerkleiders: zij kunnen immers alleen maar vruchten voort brengen als ze geënt blijven op Christus, als ze hecht verbonden blijven aan de ene wijnstok. "Ik ben de wijnstok, jullie de ranken", zegt Jezus in het Johannesevangelie. "Als je in Mij blijft, draag je rijke vrucht, maar los van Mij kun je niets." Dat is de verlossing: we hoeven niet meer op ons eentje goede wijnstok proberen te zijn wat ons toch niet lukt, getuige het oude Israël. We moeten alleen zorgen dat we niet van Christus worden afgesneden, dat we met Hem verbonden blijven als ranken aan de wijnstok, zodat zijn levenskracht in ons kan doorstromen. Alleen in en door Christus zijn we Kerk, alleen in en door hem dragen we rijke vrucht, alleen in en door Hem ontkomen we aan de verwerping. Heel bijzonder in de eucharistie beleven en vieren we dat we ranken zijn aan de wijnstok Christus. Het is Christus die ons samenbrengt, Hij voedt ons met zijn Woord en sacrament, zijn eeuwig leven stroomt in ons door.
Met welgevallen ziet God voortdurend de wijngaard van het nieuwe verbond: de ene wijnstok, Jezus Christus. En met welgevallen ziet Hij neer op de ranken, die verbonden met de wijnstok vruchten dragen. Amen.



27ste zondag door het jaar a
bij: Jes. 5, 1-7
Fil. 4, 6-9
Mt. 21, 33-41
PREKEN
zondagen
door het jaar a