
Wat de profeet Jesaja in de eerste lezing van deze zondag zegt, is de diepste overtuiging onze godsdienst, de voornaamste inhoud van ons geloof: uiteindelijk zal God alles ten goede keren: de dood zal worden vernietigd, tranen zullen worden afgewist, de onenigheid en de haat tussen mensen zullen definitief verdwijnen en God zal een eeuwigdurend feestmaal aanrichten voor zijn volk. De profeet kiest het beeld van de maaltijd voor die gelukkige eindtoestand, omdat in een maaltijd juist de verbondenheid en de vriendschap het meest tot uitdrukking kom. En daar gaat het om: de toekomst waarop wij hopen is een toestand van gelukzalige verbondenheid van mensen onder elkaar en van mensen met God. Die toestand zal er hoe dan ook komen. Dat is niet afhankelijk van mensen. God zelf staat er borg voor. Dat is dan ook het meest eigene van geloven: tegen alle schijn in, in weerwil van de wederwaardigheden van het leven blijven geloven in de goede toekomst van God, omdat Hij het heeft beloofd en omdat zijn beloften betrouwbaar zijn.
Ook Jezus spreekt in de gelijkenis van deze zondag van dat komende bruiloftsmaal. Hij zegt dat iedereen ervoor uitgenodigd wordt. God zet de deuren van zijn feestzaal voor alle mensen open. Maar tegelijk moet Jezus tot zijn droefheid constateren, dat een heleboel mensen de uitnodiging in feite afslaan; gewoon weigeren te geloven of weigeren het kompas te aanvaarden dat God hen aanreikt. Ze varen liever op hun eigen kompas. Ze hebben het te druk met de dagelijkse beslommeringen van het leven, met hun akker, met hun zaken. Ze gaan op in het heden en de toekomst van God interesseert hen geen zier. Het is misschien te ver weg, je moet er te veel genoegens voor laten staan. Ze leven liever in wat ze nu grijpen en pakken kunnen. In dit verband moet ik altijd denken aan het verhaal van Noach. Temidden van mensen die opgingen in de genoegens en de pleziertjes van het ogenblik bouwde Noach een ark, omdat Hij Gods waarschuwing serieus nam en meer geloofde in de toekomst die God beloofde dan in de toekomst die mensen zichzelf wilden maken. In plaats van mee te bouwen lachten de andere mensen hem uit. Ze namen God en zijn dienaar Noach niet serieus. Wie bouwt er nou een ark op droog land? Wie maakt zich druk om de toekomst als ik het hier nu goed heb? Maar de zondvloed kwam en alleen Noach en allen die in de ark waren werden gered. Dat is geloven: steeds bezig zijn met de toekomst van God en die belangrijker achten dan al het andere dat voorbijgaat.
Hoe staat het met ons? Nemen wij de uitnodiging om met God te leven voldoende serieus? Bepaalt het geloof in Hem en in zijn beloften ons leven of is God een randverschijnsel in ons leven geworden en mag Hij alleen maar meedoen als het ons uitkomt? Geloven wij echt in het komende bruiloftsmaal en geven we dat nu al gestalte. Bouwen we net als Noach aan de ark die ons redden zal. Dan hoort er het volgende zeker bij: dagelijks bidden "laat uw rijk komen"; van week tot week de eucharistie vieren, de maaltijd van verbondenheid met God en de mensen, de voorafbeelding van het komende bruiloftsmaal; in het leven van alle dag werken aan de verbondenheid tussen mensen: zeggen en doen: aan mij zal het niet liggen: liefde brengen onder mensen, warmte en genegenheid, egoïsme in jezelf stelselmatig bestrijden door oefenen in offervaardigheid. Dat alles tesamen is leven als genodigden tot het bruiloftsmaal van God.
De laatste woorden van het evangelie klinken enigszins dreigend: velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren. Geroepen, uitgenodigd wordt iedereen, maar niet iedereen zal het geluk bij God bereiken. Om daadwerkelijk uitverkoren te worden, daarvoor moet je in je leven consequent de gang van het geloof gaan, moet je als genodigden leven, moet je voortdurend leven en handelen vanuit het geloof. Amen.



28ste zondag door het jaar a
bij: Jes. 25, 6-10a
Fil.4, 12-14.19-20
Mt. 22, 1-14
PREKEN
zondagen
door het jaar a