Er is misschien geen moeilijker begrip in de Bijbel, wat bovendien zo centraal staat in het evangelie als het begrip van het Rijk Gods. Wat is dat eigenlijk het Rijk Gods? Je zou kunnen zeggen: de ideale samenleving zoals God die ziet en wil: een samenleving waarin alles in harmonie is: waarin God bij de mensen is en de mensen met God leven, waarin de mensen voor elkaar als broeders zijn, een volledige harmonie en nabijheid tussen Schepper en schepsels, een volheid van geluk. Het eerste Bijbelboek begint al met de beschrijving van een dergelijke wereld: het paradijs waarin God mét de mens en zijn vrouw vertrouwelijk omgaat, waar alles vrede en geluk ademt. Maar het volgende verhaal drukt ons met de neus op de feiten: de hoogmoed van de mens, de broedermoord, de toren van Babel brengen aan het licht dat we allemaal rekening te houden hebben met nog een ander rijk: het rijk van deze wereld, het rijk van de satan. Het rijk van de hoogmoed, het rijk van het IK, dat in de ander een bedreiging ziet, het Rijk van het IK voor wie God een sta-in-de-weg is. Dit Rijk van de Satan lijkt sterk te staan, want hoe onverzoenlijk staan mensen vaak niet tegenover elkaar, persoonlijk of als groep. En het resultaat is: God is ver weg, harmonie en geluk tussen mensen verdwenen. En dan is de blijde boodschap, die wij hier horen en die Jezus in Galilea verkondigde: God laat ons niet los; ondanks alles is het Rijk Gods nabij, meer nog zelfs: het is er al. En dat is misschien wel het moeilijke van het Rijk Gods: het rijk Gods is toekomstmuziek: het komt in volle openbaarheid aan het einde. We zijn naar dat Rijk Gods op weg. Maar het is niet alleen toekomstmuziek: het Rijk Gods is er al, verborgen soms, klein als een mosterdzaad maar onuitroeibaar op weg naar de voltooiing. In Jezus is het rijk aanwezig temidden van het Hem omringende Rijk van de wereld. Dat kost strijd en moeite, pijn en dood. Jezus vocht met de wapens van de liefde zijn eenzame strijd zonder mankeren tegen dat andere Rijk. En we zien tegelijk bij Hem de toekomstmuziek waar geworden. Verrezen leeft Hij in de volheid van het Rijk Gods. En de Kerk wil dat in de kracht van zijn Geest naleven. Ze verkondigt in Jezus’ naam de komst van het Rijk Gods en ze laat zien, dat het er al is, een beetje, overal waar christenen proberen in liefde en harmonie met God en hun medemensen te leven, waar elke dag opnieuw gebeden wordt: uw rijk kome, waar christenen wekelijks de dood en de verrijzenis van hun Heer vieren en in de communie met Hem en met elkaar vooruitgrijpen op de toekomst van het Rijk Gods, daar is het Rijk Gods aan het groeien, misschien nog als een mosterdzaadje, maar Satan kan de boom niet tegenhouden. Voor dat Rijk roept Christus die Galilese vissers, roept Hij vandaag ons. Leven in dat rijk is niet eenvoudigweg zeggen: ik ben toch christen. De scheiding van de twee rijken loopt niet tussen mijn huis en het huis van de buurman, maar loopt dwars door mijzelf heen. Voor zover ik leef net als Christus, voor God en voor mijn medemens ben ik burger van het Rijk Gods, maar voor zover mijn leven beheerst wordt door egoisme en dingen van de wereld hoor ik tot het Rijk van de Satan. En onze roeping als christen is het om net als Simon en Andreas en de zonen van Zebedeüs, de netten achter ons te laten, de schepen van deze wereld in zekere zin achter ons te verbranden en Jezus te volgen. In het Rijk van God telt niet wat je hebt, maar wat je bent;  en als je hebben en houwen je ervan afhoudt iets te zijn voor God en je medemensen, dan moet je je ervan ontdoen. Een gemakkelijk leven, de weg van de minste weerstand, het is al tijd de Satan die dat propageert, het Rijk van God stuit op weerstand en kost offers uit waarachtige liefde. Matigheid, kuisheid, gehoorzaamheid zijn geen deugden in het Rijk van deze wereld; het ik kent alleen pret, driften en onbeperkte vrijheid. Jezus roept ons daaruit weg, niet om de wereld te ontvluchten, maar om de wereld om te vormen, om te turnen van hebben naar zijn, van macht naar liefde, van het Rijk van Satan naar het Rijk van God. God heeft U en mij geroepen om met vallen en opstaan steeds meer burger van zijn Rijk te worden. Moge ons leven uitdrukken wat we telkens bidden: uw Rijk kome.

3de zondag door het jaar a
bij: Jes. 8. 23b-9, 3
1 Kor. 1, 10-13.17
Mt. 4, 12-23
PREKEN
zondagen
door het jaar a