
Als je bij de voorbereiding op sacramenten of bij andere gelegenheden de mensen spreekt over godsdienstige verplichtingen, dan krijg je in veel gevallen een antwoord in de trant van: “naar de de kerk ga ik niet zoveel, maar dat hoeft ook niet; als je maar goed bent voor elkaar”. Veel mensen denken dat het praktische christelijke leven bestaat uit naastenliefde en ze vinden over het algemeen dat ze daar nog niet zo slecht in zijn. Bij die opvatting kun je in het licht van het evangelie wel een paar kanttekeningen zetten.
En de eerste kanttekening is dan, dat niet de naastenliefde het eerste gebod is, maar de liefde tot God. De naastenliefde is het tweede gebod, weliswaar gelijk aan het eerste, maar het komt niettemin na de liefde tot God. En voor dat voornaamste gebod heeft de huidige mens bedroevend weinig aandacht. En dan bedoel ik met de moderne mens niet alleen degenen die hun godsdienstplichten verwaarlozen, maar eigenlijk ons allemaal, ook zoals we hier zitten. De liefde tot God is krijgt bij ons allemaal te weinig inhoud. Liefde tot God betekent immers uitdrukkelijk plaats en tijd inruimen voor God: gebed en eredienst. We zijn in onze tijd zover gekomen, dat we het minimale al heel goed vinden. En het van ouds minimale is een morgen- en avondgebed, en bidden bij het eten en daarnaast zondags de eucharistie meevieren. Dat minimale wordt door de kerkelijken al lang niet altijd gehaald. Het dagelijks gebed schiet er nogal eens over en er hoeft maar weinig te gebeuren om een excuus te hebben zondags niet naar de kerk te gaan. Door de Kerk aanbevolen devoties zoals de rozenkrans, het overwegen van de kruisweg, het houden van novenen. Tijd voor het lezen van de Schrift, meditatie, het getijdengebed wordt nauwelijks genomen, ook door mensen die daar tijd genoeg voor hebben. Hetzelfde geldt voor extra-oefeningen die in bepaalde tijden van het jaar in de kerk gehouden worden of voor de dagelijkse eucharistieviering. De vraag is: doen we wel genoeg aan een persoonlijke vroomheidsbeleving waarin de liefde tot God gestalte krijgt? Brengen we ook ons leven biddend voldoende met God in verband. Kan ik lijden en tegenslag omvormen tot daden van liefde jegens Hem in het voetspoor van Christus? Zij de keuzes die ik maak en de daden die ik stel; de dingen die ik doe en nalaat altijd ter ere van Hem? Rond dat alles draait het eerste gebod. En binnen dat eerste gebod functioneert ook het tweede: het gebod van de naastenliefde. Immers God wil dat ik van mijn naaste houd. Naasteliefde is liefde tot God. En dan wel naastenliefde zoals God die wil, naar zijn maat. En dat is de maat die Hijzelf tegenover ons gebruikt: de maat Christus.
En dan komen we bij de kanttekeningen bij het tweede gebod waarvan de meeste mensen denken dat ze dat gebod tot tevredenheid vervullen. In zijn Bergrede geeft Jezus ons enkele handreikingen, waaraan we kunnen toetsen of onze naastenliefde werkelijk christelijk is, werkelijk tot Gods eer. Jezus zegt: “als gij bemint die u beminnen, wat voor echt op loon hebt ge dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde? En als gij alleen uw broeders groet, wat voor buitengewoons doet ge dan? Doen de heidenen dat ook niet? Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is”. Christelijke liefde is dus goed zijn voor wie niet goed is voor jou; vriendelijk zijn voor wie niet vriendelijk is voor jou. Het is dus onchristelijk, en tegen de liefde, mensen die jou niet aanstaan links te laten liggen of te mijden, hoe menselijk dat ook is. Christelijke naastenliefde betekent: “je linkerwang toekeren aan hem die je op de rechterwang slaat”. Christelijke liefde is zeventig maal zeven maal vergeven. Christelijke liefde is iets aan iemand geven waarvan je niets terugverwacht. Dat is allemaal verschrikkelijk moeilijk, natuurlijk. Maar het zijn wel eisen van christelijke liefde.
Als we kijken naar wat de twee grote geboden inhouden, dan staan we voor een grote uitdaging waarvoor we heel ons leven nodig hebben om er iets van waar te maken. Zelfgenoegzaamheid en tevredenheid met jezelf bewijzen hoogstens dat je niet veel van het evangelie begrepen hebt. Ons past nederigheid, telkens weer bekering, vergeving vragen voor het tekortschieten, en genade om het met Gods hulp en onze eigen inspanning beter te doen.
Zo groeien we in de liefde. Zo zijn we Gods kinderen. Amen.



Dertigste zondag door het jaar a
Bij: Ex. 22, 20-26
1 Tess. 5c-10
Mt. 22, 34-40
PREKEN
zondagen
door het jaar a