
Je moet in het leven, zeggen we, geven en nemen. Zo is het nu eenmaal tussen mensen. Om een beetje een leefbare wereld te hebben moet je naast het naar je toe halen toch ook op zijn tijd weten te geven. Geven en nemen, dat is zo'n beetje de kerk in het midden laten, de verstandige middenweg kiezen. Nou, als je dat in praktijk brengt, geven en nemen, dan ben je al een heel eind. Dan bezit je al een stuk levenswijsheid. Maar mogen we daar als christenen bij blijven stil staan? Of wijst het evangelie toch een weg, die naar iets meer voert. De beide lezingen van deze zondag voeren een weduwe ten tonele. En een weduwe is in de tijd van de Bijbel, in de tijd dat er nog geen AWW bestond, iemand die eigenlijk alles verloren had. Met de dood van haar man was ze haar status en aanzien en ook haar inkomen kwijt geraakt. Ze noest alle mogelijke moeite doen om voor zichzelf en voor de kinderen voor eten te zorgen. Voor zover ze het zelf niet kon verdienen, was ze
aangewezen op toevallige liefdadigheid. Een weduwe had een hard en moeizaam bestaan en de ouderen onder ons kennen die situatie nog maar al te goed van een dertig, veertig jaar geleden. En als je dan in een dergelijke situatie praat van geven en nemen, dan lijkt dat nergens op te slaan. In dergelijke moeilijke omstandigheden ben je verplicht te nemen. Geven is er niet bij. Het lijkt voor ons gevoel dan ook nergens op, als de profeet Elia in een tijd van hongersnood juist aan een weduwe in Sarefat niet alleen om water maar ook om brood vraagt. Als er hongersnood is, dan zijn het toch allereerst de armen die zonder eten komen te zit en. Hoe kun je dan een arme weduwe om eten vragen. Ze zegt ook dat ze arm is: dit is het laatste brood, dat ik kan bakken. Dan moeten mijn zoon en ik sterven. Maar Elia gaat niet verder. Hij zegt niet: ik zal het eens bij rijkere mensen gaan proberen. Hij is een man Gods. Hij vertegenwoordigt God en spreekt zijn Woord. Het is dus God, die van de arme weduwe vraagt het laatste stuk brood te delen. En de weduwe verstaat Gods Woord. Ze stuurt Elia niet weg. Ze neemt hem in huis en geeft hem te eten. En God bevestigt zijn eis met het wonder: de pot meel raakt niet leeg en de kruik met olie niet uitgeput. Het blijkt mogelijk te zijn om alles te geven. En die andere weduwe, die door Jezus ten voorbeeld gesteld wordt aan zijn leerlingen, omdat ze twee penningen in de offerkist van de tempel gooide. Ook zij gaf alles wat ze had. De rijken, zegt Jezus, die grote bedragen offeren, geven in feite alleen maar een kruimeltje van hun overvloed. Ze hoeven er niet van te leven. Ze lijden er niet van. Het zijn de mensen van geven en nemen, van leven en laten leven. Jezus zegt niet dat ze slecht zijn. Ze zijn best goed, maar ze kunnen toch niet in de schaduw staan van de weduwe, die alles geeft waarvan ze leven moet. De Bijbel, Jezus blijft niet stil staan bij het idee van geven en nemen, bij de gulden middenweg. Hij wil zijn leerlingen en ook ons dus aansporen om meer te geven dan te nemen, om erop uit te zijn iets van jezelf te geven. Het is natuurlijk mooi, als je je aandacht gelijkelijk verdeelt over jezelf en over de ander. Maar nog mooier is het als de ander in het middelpunt komt en je jezelf vergeet. Dat is de richting die het evangelie ons wijst in ons dagelijkse leven. Geven en nemen is maar een tussenstation. We moeten eigenlijk verder: geven, daar gaat het om. Zo gaf Jezus ook alles wat Hij had, zijn hele leven voor het heil van de mensen. Dat gaan we nu vieren: Jezus, die zich zelf aan ons uitdeelt om ons sterk te maken in het delen van onszelf. Laten we proberen, al is het maar eens af en toe niet te blijven stilstaan bij het gewone geven en nemen, maar onszelf te geven zoals die twee weduwen, die de liturgie ons vandaag voorhouden. Amen.



32STE ZONDAG DOOR HET JAAR B
Bij: 1 Kon. 17, 10-16
Hebr. 9, 24-28
Mc. 12, 38-44
PREKEN
zondagen
door het jaar b