
De parabel van de talenten heeft de evangelist Matteüs geplaatst in de hoofdstukken van zijn evangelie, die gaan over het einde van de wereld en het laatste oordeel. De vroege christenen waren overtuigd van een spoedige wederkomst van Christus en van een spoedig einde van de wereld. En sommigen van hen deden dan ook niks meer. Ze trokken zich van de wereld niet veel meer aan. Die liep toch op zijn laatste benen. Ze zaten min of meer werkeloos te wachten tot de wederkomst van Christus. Tegen die mentaliteit richt Jezus zich in de parabel van deze zondag. Die afwachters zijn de derde knecht, die zijn talent begroef en het zonder opbrengst aan zijn heer terug gaf. Die mentaliteit van wachten en niets doen roept het oordeel af: “werp die onnutte knecht buiten in de duisternis. Daar zal geween zijn en tandengeknars.” In onze tijd is de verwachting van de spoedige wederkomst van Christus niet zo heel erg levend, maar is daarmee de mentaliteit van het stilzitten en afwachten verdwenen? Ik ben bang van niet. Ja maar, zult u zeggen: we zitten geen van alle stil; we doen van alles, ons leven is helemaal gevuld! Ja, maar doet u iets voor het rijk Gods? Want daar gaat het om. Als Jezus over de talenten spreekt, dan bedoelt Hij daarmee gaven en mogelijkheden, die je van God gekregen hebt om het Rijk Gods in deze wereld gestalte te geven. Het is niet toevallig dat in het Matteüsevangelie direct na de parabel over de talenten het verhaal staat van het laatste oordeel, waar Christus de bokken van de schapen zal scheiden. En het criterium bij het oordeel zal zijn: of men hongerigen te eten heeft gegeven, dorstigen te drinken, naakten gekleed, zieken en gevangenen bezocht. Dus gebruik maken van de talenten die je gekregen hebt, betekent je mogelijkheden in dienst stellen van je medemensen. Je talenten begraven kun je dan op twee manieren: op de eerste plaats door veilig in je eigen wereldje te leven en min of meer te denken: ieder voor zich en God voor ons allen. Door steeds te zeggen: dat is toch niet mijn verantwoordelijkheid. Ik heb genoeg aan mezelf. Op de tweede plaats vreselijk actief te zijn in de wereld: een carričre op te bouwen met de talenten die je gekregen hebt, maar die talenten niet in dienst te stellen van het Rijk van God maar van jezelf. Als die talenten niet aangewend worden voor de medemens, als ze niet gebruikt worden voor de eer van God en het geluk van de medemens, dan heb je ze voor het Godsrijk begraven. Die derde knecht, die zijn talent begroef: kan een vrome bidziel zijn, die zich van haar buren niets aantrekt; het kan een arts zijn, die meer in de geneeskunde of zijn honorarium dan in de patiënt geďnteresseerd is; of ouders, die meer in hun eigen carričre dan in hun kinderen geďnteresseerd zijn. Wij hebben van God allemaal onze eigen specifieke mogelijkheden gekregen en bij de eindafrekening zal Hij vragen: wat heb je met die mogelijkheden van jou gedaan voor het Godsrijk, voor de eer van God en het welzijn van je medemensen. Onze voornaamste opdracht als christen in deze wereld is onze mogelijkheden, die we allemaal hebben, in dienst te stellen van het Rijk van God, dat door ons toedoen in ons en in onze wereld moet groeien. Dat is het enige waar God in geďnteresseerd
is. Amen.



33ste zondag door het jaar a
bij: Spr. 31, 10-13.19-20.30-31
1 Tess. 5, 1-6
Mt. 25, 14-30
PREKEN
zondagen
door het jaar a