
Krachtens ons doopsel en ons vormsel horen wij bij het priesterlijk volk van God. Het 2de Vaticaanse concilie heeft dit bijbels idee van het priesterlijke volk, en van het algemeen priesterschap van alle gedoopten afzonderlijk, bijzonder benadrukt. Wat betekent dat, dat wij een volk van priesters zijn, wat betekent dat algemeen priesterschap voor ons? Priester zijn betekent dat je God vertegenwoordigt voor de mensen, God bij de mensen brengt en dat je bij God de mensen vertegenwoordigt, de mensen bij God brengt. De priester heeft een brugfunctie tussen God en de mensen. In die zin is de Kerk als geheel priesterlijk en zijn alle gedoopten priesters. Wij allemaal hebben tot taak door ons doen en laten God dichtbij de wereld te brengen; de mensen die God niet kennen, nog niet kennen, of Hem vergeten zijn voor te leven wie God is, wat Hij wil en wat Hij belooft. Door mensen van God te zijn God naar de wereld te dragen. En tegelijkertijd daardoor mensen bij God te brengen, als het maar enigszins mogelijk is, of minstens voor hen te bidden en te offeren, voor hen ten beste te spreken bij God. Dat is geen taak van de ambtelijke priesters in de Kerk alleen, maar van ons allen, die gedoopt zijn. Het ambtelijk priesterschap is er juist ten dienste van het algemeen priesterschap: om namelijk door de verkondiging van het Woord, door de bediening van de sacramenten en door de dienst van de leiding in de gemeenschap de gemeenschap en de afzonderlijke gelovigen toe te rusten om hun priesterlijke taak in de wereld te kunnen vervullen. Hier in de Kerk worden we toegerust met Woord en Sacrament om onze priesterlijke taak in de wereld te kunnen vervullen: mensen bij God en God bij de mensen te brengen. Hetzelfde idee wat uitgedrukt ligt in het idee van het algemeen priesterschap wordt vandaag in het evangelie uitgedrukt in de beelden van zout en licht. Wij, christenen, moeten de smaakmakers van God in de wereld zijn; wij moeten door ons doen en laten zijn licht laten stralen.
Dat priester-zijn, zout en licht zijn in de wereld is niet zo gemakkelijk in onze dagen. Er zijn daarbij twee gevaren die ons bedreigen:
1. De christelijke boodschap en met name ook de christelijke levenswijze heeft zijn algemeenheid en daarmee zijn vanzelfsprekendheid verloren. Grote groepen mensen leven niet volgens de christelijke moraal in zijn totaliteit. Met name de morele beginselen rond de eerbied voor het leven, rond huwelijk en sexualiteit zijn door veel mensen verlaten. Dan is de verleiding groot met de meerderheid mee te gaan; je opvattingen aan te passen. Immers iedereen doet het toch. De tijd is veranderd. Het christendom moet zijn opvattingen maar aanpassen aan de moderne tijd. Dan wil men de christelijke opvattingen aanpassen aan de wereld, aan de mode van de dag. Dan verliest het zout zijn kracht en deugt nergens anders meer voor dan om weggeworpen en door mensen vertrapt te worden. Christenen die zich op dergelijke wijze aanpassen aan de wereld en zich afkeren van de duidelijke christelijke boodschap, verloochenen hun doopsel en zijn zouteloos geworden; maken zich ook innerlijk los van de Kerk, die zich nooit op die wijze zal aanpassen aan de wereld. Die zogenaamde moderne opvattingen zijn overigens minder modern dan wel eens uitgeschreeuwd wordt. Diezelfde opvattingen namelijk beheersten ook het Romeinse Rijk waarin het christendom verspreid werd. Ook toen verzette het christendom er zich tegen en werd het begin van een nieuwe, minder decadente samenleving. Dat is dus het eerste gevaar: dat christenen zich aanpassen aan steeds goddelozer en heidense wereld omdat het gemakkelijk of modern is, of omdat ze er niet over nadenken en daarmee langzaam ophouden christen te zijn en zich zouteloos aanpassen aan een wereld zonder God.
2. Een tweede gevaar is, dat men wel bewust christen wil blijven, dat in zijn eigen leven ook nog practiseert, maar een beetje in het verborgene omdat je bang bent voor de tegenstand die het oproept of de lachlust van familie en vrienden die het opwekt. Je bent altijd gewend te bidden voor het eten, maar je schaamt je een kruis te slaan, als je bij iemand op bezoek bent of in een restaurant eet. Je houdt je mond maar, als de Kerk belachelijk gemaakt wordt of als er vreemde, onchristelijke ideeën verkondigd worden. Want je krijgt toch iedereen tegen je. In dat geval zet je eigenlijk je eigen licht onder de korenmaat en Christus vraagt dat we het licht op de kandelaar zetten.
Medechristen, het vraagt nogal wat om zout der aarde en licht van de wereld te zijn, om lid te zijn van een priesterlijk volk: het vraagt liefde en begrip, waardoor mensen je gaan waarderen, maar het vraagt ook tegelijk uitdragen van geloof, van een levenspraktijk die soms op tegenstand stuit. Maar moeten we bang zijn voor tegenstand, als onze Hogepriester Jezus Christus, de liefde zelf, door de wereld verworpen is. Amen.



5de zondag door het jaar a
bij: Jes. 58, 7-10
1 Kor. 2, 1-5
Mt. 5, 13-16
PREKEN
zondagen
door het jaar a